Dag 1. Lamayuru - Panchila
Zondag, 06.30 a.m. de laatste ochtend dat we met onze neus op het oefenen van de mantra’s door de kleine monniken zitten. Om 07.00 a.m. klinkt het lage monotone geluid uit de schelpen. Jammer, dat dit de laatste morgen is dat we in deze mooie omgeving zo wakker zijn geworden. Op naar het ontbijt en .... lopen! Ons gidsje Sonam is ongewoon op tijd, 07.30 a.m. Het duurt dan weliswaar nog wel even voordat de ezeltjes goed zijn geladen, maar we vertrekken dan toch ruim op tijd, uitgezwaaid door de 4 foreigners uit het guesthouse.
We starten langs het bergstroompje in de groene oase van Lamayuru. De eerste pas (Prinkiti La) is niet eens zo hoog, (3700 meter), maar het valt tegen. Sonam en de ezeltjes klauteren met gemak hun eigen weg naar boven, terwijl wij totaal buiten adem en op enige afstand volgen. Wat een uitzicht! Bergtoppen waar je maar kijkt. Dit is nog maar het begin, maar het is wel typerend voor het restant: mooi, grillig én zwaar.
Sonam geeft ons niet veel tijd om te genieten, door moeten we. Stijlrecht de pas af door een raar gebied met door erosie verweerde bergen. De ezeltjes leggen rennend hun weg af naar beneden. Mijn maag begint nu werkelijk op te spelen, maar ik wil absoluut voor de middag het dorp Wanla halen. Doorbijten dus. Het geruis van een bergstroompje kondigt een groen dal aan, klauterend over keien komen we aan de voet van het klooster van Wanla, kunstig in de berg gebouwd. De rest van de weg naar Panchila is gemakkelijk maar ik trek het niet. Zitten of liggen zijn de beste houdingen; misselijk en buikpijn. Lode probeert mijn slingerende houding te corrigeren en duwt me vooruit. Maar zelfs het uitzicht op het volgende dorp, kan mij niet verder doen lopen en ik val om van de slaap.
Het is begin van de middag en Sonam regelt een slaapplaats bij mensen in huis. Ik ben direct vertrokken, merk nog dat Lode de wacht bij me houdt maar verder gaat het licht uit. De vrouw des huizes komt; handgebaren en voetenwerk. Ik krijg een kussen maar daar vroeg ik niet om. Nog een keer probeer ik, door twee vingers bij elkaar te brengen, waar mijn ‘husband’ is. Ze steekt twee vingers op en roept Lama Tsephel. Eric en Lama Tsephel zijn dus ook gearriveerd tezamen met een grote groep met monniken en pelgrims die allemaal op weg zijn naar de Dalai Lama. Lode werkt vele koppen thee weg en leert dat je eerst driemaal nee moet zeggen voordat je accepteert. Ikzelf probeer een eigengemaakt soepje maar ook deze valt verkeerd. Ik geef de kindertjes een snoepje, verzorg de zwerende vinger van de vrouw en maak een foto van drie generaties. We spreken Jen, een krasse gepensioneerde Nederlandse dame, die een kruidenproject uitvoert en stellen voor dat ze bij ons op de kamer komt slapen, zodat ze niet in de open lucht en kou hoeft te slapen.
Dag 2. Panchila - Hanupatta
Maandagochtend, 05.00 uur Jen wordt gewekt om richting Leh te vertrekken. We vallen weer in slaap en om 06.00 uur wekt Lama T. ons voor ontbijt: koekjes. 08.00 uur Het bepakken van de ezels en ponies duurt lang. Eric, Lode en ik vertrekken alvast. De karavaan volgt ons later door een overweldigend gebied. Hoge rechte bergwanden als één grote scheur (‘gorge’) waar wij op een smalle richel doorheen trekken. Onder ons dendert het water. De geur van de ponies, het geluid van de hoeven op de stenen, niet teveel zon en her en der groen. We stappen stevig door. Een van de mannen probeert me het ‘doorloopfluitje’ voor de ponies te leren. Veel verder dan "ffffuuuut ffffuuuuutt" kom ik niet. Hoewel geen van allen mijn gigafluit op twee vingers kan nadoen, leren ze me het "hoooetchuuu" maar (wat uiteindelijk net zo goed werkt als het fluitje).
Vandaag worden de rollen omgedraaid. Lode heeft het er erg moeilijk mee. Letterlijk sleept hij zich slingerend naar, wat wij denken, het einddoel van deze dag: het dorp Hanuputta, bestaande uit 4 huizen en een klooster. Niets blijkt minder waar. De karavaan is reeds door gegaan .... naar een kampplaats ca. 1 uur verderop. We regelen thee op het dak van de enige aanwezige bewoners in het dorp, rusten een uurtje en slepen Lode zo goed en zo kwaad mee naar het kamp. Tenten opzetten in ‘the middle of nowhere’ en slapen met uitzicht op de hoge besneeuwde pas van morgen.
Dag 3. Hanupatta - voorbij Photoskar
Grenzen verleggen. Lode heeft het er nog steeds moeilijk mee... Wij starten deze morgen met z’n tweeën. Eric haalt ons net voor de pas in. Gedrieën klimmen we naar de Shihi La op 4800 meter. Hoge witte bergen en uitzicht op het dal van Photoskar en de Singi La, daar waar wij straks nog naar het basiskamp gaan klimmen. Wachtend op de karavaan, mijmerend. De vele keien, het constante opletten bij het neerzetten van onze voeten. Het niet ver genoeg optillen van onze voeten betekend geheid struikelen. Toch voelt het raar, bij iedere klim verbaas ik mij over het feit dat de berg of pas nog zo hoog kan lijken, de beklimming valt mij mee. Daarom neem ik de tijd om de omgeving goed in me op te nemen; de bergen, vogels, yaks, de rare bol- en stekelvormige struiken van gele, paarse, roze of witte bloemetjes en zelfs vergeet-mij-nietjes!
Goed nieuws: vandaag ben ik minder kapot dan gisteren. Slecht nieuws: wat ik ‘s middags doe heeft weinig met lopen te maken. Slenteren, sjokken en waggelen. Ik wil wel maar mijn benen niet. Op hoogte daalt mijn conditie omgekeerd evenredig. Na verloop van tijd schakel ik over op automatische piloot, voet voor voet neerzetten. Alleen op de rustpunten heb ik dan nog oog voor de omgeving. Als Eric en ik eindelijk op Base-Camp arriveren heeft Nettie de tent al opgezet en mijn slaapplaats klaargemaakt zodat ik direct mijn slaapzak in kan duiken om me voor te bereiden op de zware dag van morgen.
Dag 4. Photoskar - voet van Zenge La
Een heerlijk tijdloos gevoel. Niet weten welke dag het is, laat staan de datum. Twee vogelvrije relaxte Hollanders zonder stress en beperkte interesse in de buitenwereld (WK voetbal, situatie India-Pakistan, AEX-index kunnen ons wat). Samen met een Ladakh-fanaat uit Frankrijk, een lama, een ‘horeca-ondernemer’ uit Lingshed (tevens onze kok) een ponyboy en een donkey-boy. Zouden zij kunnen begrijpen waarom wij dit doen?! Wij laten ons leiden door de planning van Janpel, die een soort van winkel/restaurantje runt in Lingshed en zijn inkopen in Leh heeft gedaan. Er is besloten vandaag niet verder te trekken dan de voet van de Zenge La (5060 meter). De pas is besneeuwd en onze lastdieren kunnen alleen over de pas als alles nog bevroren is. Hierdoor hebben we een relatief rustige dag, zodat we morgen ook niet te vermoeid beginnen aan de klim van de Zenge La.
Vanochtend met z’n tweeën door een vallei gelopen. Yaks, marmotten ... en twee keer een rivier overgestoken. IJskoud water, schoenen en rugzakken boven ons hoofd en hupsend van de ene steen naar de andere en proberen het evenwicht te houden. De rest van de dag onze was gedaan in een riviertje, wat gelezen en potje boven het kampvuur voor de thee. Het koken is een dagelijkse ritueel. Met z’n allen snijden we de groente die we ingeslagen hebben in Leh en vrij spaarzaam is. Eten rijst, momo’s of dal. ‘s Nachts worden er wolven bij ons kamp gesignaleerd, loerend naar de ponies.
Dag 5. Zenge La - Lingshed
We moeten voor de zon op de pas zijn met de ezels. Opstaan om 04.30 uur, kamp opbreken en dan gaan we samen met Sonam en de ezels als eersten op pad. De rivier is deels bevroren en dus ook de sneeuw die erboven op ligt. Klauteren, uitglijden en ademhalen, maar vooral stijl omhoog! Ik heb het gevoel alsof we de Mount Everest beklimmen en de top halen geeft waarschijnlijk hetzelfde trotse gevoel. Vooral als de ‘lokale mannen’ die al boven staan, zeggen dat we sterke, snelle klimmers zijn, kan mijn dag niet meer stuk. Als Lode ook bovenkomt, komen de eerste zonnestralen op de pas. Het is bijna 07.30 uur.
‘I do not know the meaning of existence; I do not know the answers; but here, in these mountains, for just one moment there is no need to ask questions. Life is understood ...’ Sorrel Wilby - Across the Top
Het uitzicht vanaf de pas is overweldigend. Vanuit de vallei die we achter ons laten, horen we het ruisen en kletteren van het vallende water, zingende vogels en de wind. Aan de andere zijde is het stil; absolute stilte. Het is alsof er een piep in onze oren zit, alsof je uit een concerthal stapt en het geluid valt ineens weg. Niets, helemaal niets hoor je. Geen wind, geen vogels, geen water. Enkel een adembenemend uitzicht met hoge besneeuwde bergtoppen en een strakblauwe lucht. Achter ons horen we het gefluit van de begeleiders van de karavaan die ook in de sneeuw omhoog proberen te komen; het roepen naar elkaar, de ponies die onderuit gaan en moeite hebben weer op de been te komen, het afladen van de bagage welke door de mannen zelf naar boven wordt gesleurd en het smelten van de sneeuw. De zon is al ruim aanwezig op de pas.
De rest van de dag lopen we met z’n tweeën. Een mooie gemakkelijke tocht, totdat: Kiupa La. Ik roep enthousiast naar Lode dat het een geweldig uitzicht is: 950 meter onder ons ligt steil naar beneden het dal ... Ineens durf ik niet meer naar de rand en breekt het angstzweet me uit. Het gevoel zit voornamelijk in mijn benen. Het pad is smal, als het al een pad is, meer naar beneden gevallen gruis. Het wordt naar beneden kruipen, hangend aan Lode en toch ook eigenlijk niet. Panisch, omdat ik denk dat hij hierdoor juist kan vallen.
We hebben er dan 8 uur opzitten en we gaan Lingshed halen. Vraag is alleen hoe. Er zou nog één pas tussenzitten, maar die komen we een paar keer tegen. Iedere keer weer denk ik; dit is de top. Fout, boven gekomen staart een nieuwe top me aan. Ik ben moe, heb pijn in mijn voeten en knieën en ik voel blaren opkomen. Stap voor stap. Niet nadenken. Dan, eindelijk zien we het dorp liggen. We wachten op de karavaan en moeten uiteindelijk nog een half uur over een klote pad met losse keien. Annet neemt de paarden over, Lobsang gaat met twee ponies naar huis. Ik sjok naar beneden. Om 18.00 uur zijn we eindelijk bij ons reisdoel: het klooster van Lingshed. Wat een tocht: schitterende omgeving, vermoei-enissen maar ook voldoening. We eten een noodle-soepje in de kamer van Lama T. Ik zie er tegen op om weer weg te gaan. We nemen morgen een rustdag!
Dag 6. rustdag Lingshed
We nemen de tijd om te lezen. Toepasselijker kan niet:
‘Inscriped in the walls of the Diwan-I-Khas is a famous persian couplet:
If there is a paradise on earth It is this, it is this, it is this.’
Lama Tsephel is thuis. Je ziet hem opfleuren. De rust van het klooster, slechts bereikbaar te voet of (in speciale gevallen) per helicopter. Een korte rondleiding door het klooster na een ontbijt van Lama Tsephel. Daarna aangeschoven bij de thee van de overgebleven kloosterbevolking (iedereen die in staat is te reizen is naar Leh voor het bezoek van de Daila Lama). Oude mannetjes, de een met een bril scheef op zijn hoofd, de ander zonder tanden en weer een ander valt in slaap ...
Het reisschema is weer aan verandering onderhevig. Vele discussies over de te nemen route, wel veilig of niet veilig, te zwaar of te moeilijk. Lama Tsephel regelt een nieuwe ponyman, Tsering Dorjee, terwijl wij rondhangen in de theetent van Janpel. Een donker smerig gebouwtje, twee harde banken, een stoof waarop gekookt wordt en een provisorisch winkeltje. Nieuws van het WK-voetbal via een krakkemikkige radio: Nederland-Mexico 2-2.
Dag 7. Lingshed - Nertse We nemen geen afscheid, maar beloven contact te houden met Eric, Lama Tsephel en Janpel. De laatste stopt ons nog een paar van zijn meegezeulde Jumpings toe. Emotioneel is het afscheid van Lama Tsephel. Hij blijft met kado’s komen; oorbellen, ringen, typische Ladhakhi hoed ... Lama Tsephel maakt zich zorgen om het feit dat wij getrouwd zijn, maar geen ringen dragen; dus geeft hij ons er ieder één met Tibetaanse mantra’s. Toen Tsephel voor het eerst hoorde dat we net getrouwd waren, wenste hij ons ‘a lot of happy children’. Hij bedacht ook alvast een tweetal namen. Tse Reng Tashes (easy and long life) voor een jongen en Yang Chan Dolma (interesting and ...., "I have to look this up") voor een meisje.
Ik loop met tranen in mijn ogen uit Lingshed weg. Zo raar om Tsephel hier achter te laten. Zowel hij als Eric zijn tot nu toe zo bepalend geweest in onze reis. Tsephel is een Boeddhist in hart en nieren. Als het zijn medemens goed gaat, gaat het hem goed. De vriendelijkheid die hij uitstraalt en uitdraagt, zijn bezorgheid, zijn dankbaarheid als je hem eens ergens mee helpt, onvergetelijk. Tevreden met wat hij heeft: zijn geloof. Ben jaloers op zijn innerlijke rust. Misschien heb ik daarom wel zo’n moeite hem en dit klooster achter mij te laten. Verder op weg betekent ook weer dichterbij het jachtige westerse leven ...
"Leer mij de Himalaya kennen!", roept Lode bijna boos. En weer heeft hij gelijk. Het lijkt erop dat wij eindelijk de top van de Hamun La (weer een pas) hebben bereikt, maar ook hier zitten er nog een paar behoorlijke klimpartijen achter. Hoe vaak hebben we dit nu al meegemaakt?! Ik positief; "we zijn er bijna!" en Lode realistisch; "vast niet!". Maar mijn energie is gigantisch en ik ben verbaasd over mijn eigen kunnen. Achter iedere top verwacht ik weer iets nieuws te zien. De ijle lucht en de hoogte maken dat ik zelfs makkelijker loop dan in het vlakke Nederland.
Eerst weer in het ezeltjes-tempo, daarna alleen omhoog. Het pad is niet moeilijk, wel steil. Als ik Annet hoor, ben ik blij: weer een pas gehad! Fout. Ze zit slechts op een plateau vóór de echte pas. We klimmen nog even lekker anderhalf uur voordat we écht boven zijn. Uiteindelijk zijn we wéér twaalf uur onderweg vandaag. Ik strompel het laatste gedeelte naar het ‘kamp’, wat meer iets wegheeft van een spookachtige begraafplaats. De zonsondergang tussen de bergen is schitterend. De bergen kleuren geel, oranje, rood. Een prachtig schouwspel, dat langer in de herinnering blijft dan de vermoeienissen.
Het uitzicht op de top is weer adembenemend. Een weidse blik over Lingshed ver achter ons, het klooster tegen de bergwand. We komen een eenzame trekker tegen en gaan door naar Nertse, niet wetende dat de weg slecht is. Spectaculair is het juiste woord: een soort van ‘gorge’ waar we tientallen malen over de rivier moeten. De ene keer over sneeuw en ijs dat over de kolkende rivier hangt. De andere keer springend van de ene rotskei op de andere en koude natte voeten halen. De waterfles overgooiend, die de een mis gooit of de ander mis vangt. Dikke deuken in de fles en een gigantische (natte!) reddingspoging van Lode als de rivier in zijn razernij de fles meevoert.
Dag 8. Nertse - Hanumil
De dag begint met dezelfde ‘dal’ (linzen) van gisteravond, echter nu als ontbijt in soep-vorm. Eerst de Snertse La, diep het dal in en dan de beklimming van de Parfi La. We sukkelen achter de ezeltjes aan en om precies 12.00 uur staan we boven op de pas. Niks geen bedrog van extra achterliggende bergtoppen of passen. De afdaling gaat over rotsblokken en keien, maar al snel blijven we op gelijke hoogte. We nuttigen yoghurt (onwijs zuur !) bij een nomaden yak-familie en lopen deze dag weer veel langer dan gepland. Door rivieren en langs de grote bruine Zanskar-river komen we in het dorp (3 huizen !) Hanumil.
Dag 9. Hanumil - voorbij Pishu
De geur van het ontbijt waarop Tsering Dorjee zo zijn best heeft gedaan, trekt onze tent in. Ik ga bijkant over mijn nek en besluit het vandaag rustig aan te doen met eten, ook het lopen gaat minder.... Kapot, het enige goede woord. Deze eenvoudige dag lopen we in principe van Hanumil naar Pishu. Ontzettend warm, het lopen langs de bruine Zanskar-river geeft echter nog een beetje verkoeling. We drinken veel. Bij de lunch wordt een groot gedeelte van ons drinkwater geofferd om bouillon voor mij te maken. Pas bij Pishu kan de voorraad worden bijgevuld. Een doods dorpje - enkel een blaffende hond en een oud vrouwtje - iedereen is naar Leh voor de Dalai Lama, waardoor het bijna een spookstad lijkt.
"I’ll retire from trekking", aldus een vermoeide ‘Catweezle’. We komen een 52-jarige Engelsman achterop, gefrusteerd door de regering van Thatcher en Major heeft hij Engeland een paar jaar geleden verlaten om te reizen. Tezamen met een Ladhakhi-vriend loopt hij reeds 20 dagen met volle bepakking de route van Lamayuru naar Padum ... De weg gaat stijgend en dalend van een mooie rotsachtige kloof naar een zandachtig terras. Het lijkt op dat moment slimmer om door te lopen, zodat we de vlakte na Pishu morgen niet hoeven te doen, een misvatting. Wind tegen en er komt geen eind aan. Pas tegen zevenen vinden we een goede plek om te kamperen.
Dag 10. naar Padum In een strak tempo lopen we over een goed begaanbaar pad. Vogels fluiten op de achtergrond, besneeuwde bergtoppen vormen het decor. Veel sneller dan gedacht bereiken we het klooster van Karcha. Andere dagen duurden veel langer dan gepland, nu liggen we al twee uur vóór op schema. We dalen af naar de brug en wachten op Tsering met ezels. Sjokkend door de hitte bereiken we ons eindpunt van deze trekking: Padum. Als de bus naar Kargil volgens planning vanavond aankomt, vertrekken we hiermee overmorgen heel vroeg.
We moeten echter drie dagen wachten voordat het zover is. "Rest is best", volgens de hartelijke Tourist Officer. Hoe moeilijk is het om echt rust te nemen. Op de één of andere manier zijn we continu onderweg, ergens mee bezig of doen we aan sightseeing. Op zich voel ik me daar lekker bij, maar echt ‘op onze luie reet zitten’ is er niet bij. Onze beste momenten zijn het luisteren naar monniken of het genieten van de omgeving (whatever: zittend op de hoek van de straat of actief tijdens de trekking). Dan toch maar beginnen in één van de vele boeken om het echte luie gevoel te krijgen.
Padum bestaat uit een klein Tibetaans klooster en een grote glimmende Islamistische Moskee omringd door vijftig huizen en een school. We vinden een heerlijke eettent, met een terrasje en echte Coca Cola. B.K., de Indiaase kok uit Bombay, doet verwoede pogingen een ‘chainese’ maaltijd op tafel te zetten. Later blijkt dat hij de Indiaanse keuken veel beter beheerst .... Heerlijke curries, pakora en dhoza. Ik ga menigmaal mee de keuken in om te leren hoe je onder de meest primitieve omstandigheden de lekkerste gerechten kan bereiden. Ons laatste avondmaal wordt uiteindelijk een gezellige avond met een Zwitser en B.K. én met bier, zodat we veel te laat naar bed gaan en om 04.00 uur weer op moeten om op tijd met de bus mee te gaan.
Jammu & Kashmir. Bommen op Kargil!
Vanuit Padum leidt de steile, bochtige weg over de Zoji La in één dag van het ruwe en kale landschap langs de loop van de Indus naar het weelderige landschap van de centrale vallei van Kashmir. Aan de grens tussen Pakistan en India vechten de buurtmachten geregeld om de bergen en dalen van Kashmir. Niet vreemd dat we verschillende malen waarschuwingen horen en lezen betreffende dit gebied. Ook als wij er zijn. De bus voor Kargil is ‘s avonds niet aangekomen en er rijden ook geen trucks ... Uiteindelijk blijkt dit een gevolg te zijn van de Pakistaanse bombardementen in de bergen rond Kargil. Er zijn 50 bommen rond Kargil ontploft en zoals de berichtgeving luidt ca. 14 doden. De bevolking is gevlucht en het openbare leven ligt plat. Dit hoor je nooit op het Nl-nieuws, maar in deze regio zijn bombardementen geen uitzondering. Zo vertrekken we met enkele dagen vertraging richting Kashmir.
Met een taxi als vervoermiddel van Kargil naar Srinagar. Gezelschap: chauffeur en Mustafa, die de rit geregeld heeft. Hij vertelt volop: over zijn verloren Zwitserse liefde (mocht niet van zijn moeder), zijn huwelijk (geregeld door zijn ouders, hij zag zijn vrouw pas voor het eerst in de slaapkamer), zijn kinderen, zijn werk, Kashmir, moslims in India, moslims in Pakistan, bommen op Kargil (ook hij was gevlucht). Hoe dichter we bij Pakistan komen, hoe duidelijker het wordt dat hier een oorlogsstemming heerst. Zo vreselijk veel militairen. Bij een checkpoint verliezen we uren. De rest van de dag hobbelen we door de bergen achter een legerkonvooi aan. Schitterende vallei om in de file te staan, stukken beter dan de A1 richting het Gooi.
De houseboat van Mustafa in Srinagar is fantastisch. Op een meer drijven zij aan zij honderden luxe en minder luxe woonboten. Heerlijk zitten op de veranda, beetje mijmerend over het water uitkijkend.
‘s Avonds: eindelijk wraak voor ‘1978’. Als Oranje-Argentinië de enige WK-wedstrijd is die we kunnen zien, dan dank ik God, Allah en Boeddha, dat het deze is geweest. Een lamp sneuvelt bij de 1-0, bij de 2-1 word ik een beetje gek.
Een dag later. Dobberend op Dal-lake. Na de chaos van de wegen en de stad Srinagar; het getoeter, de zware motoren van de trucks en de zwarte rookwolken uit de uitlaat. Het is stil, enkel de peddel die de shikara (gondel) voortbeweegt wordt af en toe in het water gestoken. Heerlijk rustig over het water, na alle dagen inspanning nu flink wat ontspanning.
Op weg naar Dharamsala. Jammu is één groot drama. We stappen uit de bus en in de klamme hitte. Voor ik het weet is elke draad in mijn shirt doorweekt. Erg vriendelijke mensen hier zeg, god allemachtig. Welkom in India. Mensen drommen om ons heen, willen van alles weten, doen en verkopen. We besluiten snel hier niet te overnachten en vanavond door te reizen naar Pathankot. Dan zien we daar wel verder. Motor-riksja’s willen ons niet naar het treinstation brengen, waarom eigenlijk? We worden in de richting van een groot gebouw gebonjourd, wat het busstation blijkt te zijn. Annet is scherp en ontdekt taxibusjes naar het station.
Daar aangekomen begint de volgende beproeving: een treinkaartje kopen .... Ik ga (tegen de adviezen uit de reisboeken in) in de rij staan voor tweede klasse kaartjes. Het is hier oorlog. Er staan dranghekken (zonder enig nut). Mensen gillen. Het is hier echt knokken. Ik heb mijn rugzak opgedaan, wat een voordeel is. Nu kan in ieder geval de achterhoede niet langs mij te dringen. Als na een dik half uur het loket bereikt is, begint deel II van deze veldslag. Er komen twee rijen samen. Je duwt en trekt (en wordt geduwd en getrokken), je manoeuvreert jezelf voor het raampje (met tralies) waarachter een lokettist angstig de bestelling opneemt. Twee kaartjes Pathankot. Deel III is eenvoudiger dan gedacht. Door mijn rugzak deinst iedereen achteruit als ik achterwaarts de rij probeer te verlaten en ik mijn medaille voor deze actie kan gaan halen.
Het wordt een bijzondere avond. Niemand kan ons vertellen waar en hoe laat de trein vertrekt naar Pathankot. Iedereen zegt iets anders. We zitten dan ook een beetje vaag voor ons uit te kijken op de harde stenen vloer van de stationshal. Uiteindelijk geeft de station-manager uitsluitsel. Ook meldt hij (tussen neus en lippen door) dat we niet naar Pathankot gaan, maar naar een nabijgelegen station en daarvandaan met een riksja verder moeten ....
Als de trein arriveert, is het volslagen onduidelijk waar wij in moeten stappen. Omdat we de trein niet weg willen laten gaan zonder ons, stappen we zomaar een treinstel in en belanden in het sleepergedeelte, waar alles gereserveerd is. We kunnen ook geen kant meer op, omdat alle in- en uitgangen geblokkeerd zijn door veel te veel reizigers en overtollige bagage. Geïrriteerd en vermoeid zakken we uiteindelijk maar ergens neer, met z’n tweeën en onze rugzakken op één stoel. De reis duurt kort, zo’n drie uur. Met een fietstaxi (riksja) verder naar het busstation van Pathankot om daar op een bankje een rusteloze snikhete nacht met erg veel muggen door te brengen. En dan te bedenken dat ik jarig ben! Kikkers op de achtergrond slapen blijkbaar op andere tijden dan wij....
Himashal Pradesh
Mc Leod Ganj - ‘Klein Tibet’. Door onze marathontrip winnen we wel bijna een dag. Wij zijn om 9.30 a.m. in Mc Leod Ganj en weer even terug in Tibet. Het heuveldorp, even boven Dharamsala is het thuis voor duizenden Tibetaanse vluchtelingen en headquarters van de Tibetaanse regering in exile, tevens de residentie van de Dalai Lama.
Eigenlijk waren wij sinds Xiahe ’95 bezig geweest om hier naar toe te gaan: de verblijfplaats van de Dalai Lama. Eerlijk gezegd valt het tegen. Het is erg commercieel, vreselijk veel toeristen en dus veel shops en restaurantjes. Die zijn weer makkelijk om te schuilen, nu de moesson is gestart. Een andere luxe: video’s kijken voor 10 cent: Windhorse, Kundun en een documentaire over Tibet van de BBC.
De Tsuglagkhang (Dalai Lama ‘s Tempel) is een nieuwbouwtempel. Geen klooster, maar de verpakking van een droevig verhaal van een cultuur in ballingschap. Van binnen is het traditioneel ingericht, van buiten is het modern, kil en koud. Toch deert het de hier aanwezige Tibetanen niet. Devoot lopen zij hier hun rondgang, mompelen hun ‘Om Mani Padme Hum’, draaien de nieuwe gebedsmolen alsof het nier de heilige Potala of Mount Kailash is. Het is iets triests: in Tibet de gebouwen en de sfeer maar geen vrijheid, hier wel vrijheid maar weinig sfeer. Tijdens de ochtendgebeden voelen we toch iets van de traditionele sfeer. Toch vinden wij dat degenen die hier specifiek voor het Boeddhisme en de Tibetaanse cultuur komen een verkeerd beeld krijgen.
Buiten het heuveldorp ligt nog een overblijfsel van de Engelsen, een kerk genaamd St John in the Wilderness. Nu hebben we alles wel gehad: Tibetaanse, Moslim en nu weer Rooms-Katholieke invloeden. Onze laatste dagen in ‘Tibet’ in ongekende luxe: gevarieerd eten, douche in ons guesthouse, Engels als voertaal. Minpunt: het beluisteren van de Oranje-Brazilië strafschoppen.
New Delhi. Het is nog vroeg als we Delhi inrijden. De straten zijn bijna leeg. Grote luxe wijken en krottenwijken trekken aan ons voorbij. We voelen ons zweterig en smerig. We besluiten een luxe hotel met airco te nemen en uiteindelijk blijkt de rekening van dit hotel de kosten van de rest van de reis in India ongeveer te evenaren! Douchen, badderen en uitslapen. Het zit er weer op ....

|