China
We rijden vanuit de omringende zand- en steenwoestijnen de oase van Kashgar binnen. Lemen huizen, kleine veldjes met tarwe en boomgaarden omzoomd met ruisende populieren. Irrigatiekanalen bevloeien de oase, die zo groot is als de provincie Utrecht, met smeltwater uit de bergen in de omgeving. De stad zelf lijkt weinig veranderd sinds de vorige eeuw. Al heeft de lemen stadsmuur grotendeels plaatsgemaakt voor geasfalteerde wegen en lelijke socialistische bouw waaraan China zo rijk is. De binnenstad bestaat nog steeds uit een wirwar van aardekleurige lemen huizen, binnenplaatsen en nauwe straatjes. Het centrum lijkt zich op het Id Kah-plein te bevinden voor de grote geel-betegelde Id Kah-moskee. Hier komen aan het einde van de dag de oude Oeigoerse mannen samen; lange jassen, baardje en typische groene doppa. En vrouwen met bruine sjaals over hun hoofd waardoor je amper kan zien wat haar voor- of achterkant is.
De bevolking van Kashgar bestaat voor 90% uit Oeigoeren, een volk van Turkse origine, dat de islam aanhangt. Han-Chinezen vormen slechts een kleine minderheid van de bevolking en wonen vooral in een nieuwbouwwijk in het noorden. Een gigantisch standbeeld van Mao markeert de overgang tussen het Chinese en het Oeigoerse deel van de stad. Dient dit beeld de Oeigoeren eraan te herinneren dat ze zich dienen te voegen in het grote geheel van de Volksrepubliek? In het verleden staken meermalen religieus geïnspireerde onafhankelijkheidsbewegingen de kop op. Er wordt fluisterend gespeculeerd over kansen op een onafhankelijk Oost-Turkmenistan. In 1990 en 1998 moet het Chinese leger eraan te pas komen om ongeregeldheden de kop in te drukken. China heeft inmiddels miljoenen Chinezen naar het gebied overgebracht, zodat de Oeigoeren allang een minderheid zijn in eigen land. Een tactiek die de Chinezen vaker toepassen, zoals we al in Tibet hebben gezien.
We overnachten in het Qinibagh-hotel, voorheen het Britse consulaat. Hier hebben de Russen en Britten eind 19e eeuw hun ‘Great Game’ gespeeld. Vanuit dit in 1890 opgerichte Britse agentschap hield consul-generaal George McCartney een spionagenetwerk in stand om de Russen in de gaten te houden. Ontdekkingsreizigers, zoals Sven Hedin en Sir Laurel Stein, vonden hier een slaapplaats.
Drie kilometer ten oosten van de stad, een aardige zit achterop een ezelskar over de stoffige wegen, bevindt zich de heiligste plaats van Xinjiang. Het mausoleum van de religieuze leider Abakh Khoja, ruim voorzien van kleurige geglazuurde tegels, trekt massa’s pelgrims. Vrouwen binden gekleurde draadjes aan het traliewerk van de tombe om de goddelijke voorzienigheid een kind te vragen.
We lopen uren achtereen door de oude stad. De kleur van de lemen stad. De typische Aziatische geuren en kleuren. De spontaniteit als iemand ons uitnodigt om bij hun te komen zitten. Uren zitten we op het Id Kah-plein en kijken en luisteren we naar de mensen om ons heen. Elke straat heeft z’n eigen ambacht en de daarbij behorende geluiden. Het eten is geweldig, de meest lekkere dingen zijn hier te bestellen. Goed gevoel om weer in China terug te zijn. Ondanks de typische Oeigoeren (die Turks aandoen), herken je de Chinese sfeer: gebouwen, belettering, gebruiken in het hotel en in de restaurants. In 1995 wilden we al deze kant op, maar toen lag het teveel uit onze route door China.
Op zondag vindt de beroemde zondagsmarkt plaats. Mensen overal vandaan komen hier hun beesten, kleding, eten – whatever – kopen of verkopen. Chinezen, Russen, Tadzjieken, Oezbeken, Kirgiezen, Oeigoer, Pakistani en misschien nog wel anderen. De geluiden die je hier hoort zijn overweldigend. De eigenaar van de ezelskar roept ‘Posh, Posh, Posh!’. Hij moet erlangs. Berijders van auto’s en brommers toeteren alsof hun leven ervan afhangt. Fietsers bellen. Mensen prijzen gillend hun waar aan. Beesten blaten, loeien of balken. Het krioelt hier door elkaar heen. We komen ogen en oren tekort op deze markt die de grootste van Azië moet zijn, maken foto’s, gaan er af en toe even bij zitten, eten iets en gaan weer verder … Het is hier in Kashgar dat de noordelijke en zuidelijke weg van de zijderoute elkaar ontmoeten. Hiervandaan moest men verder de hoge passen van de Parim en de Karakoram over.
Uiteindelijk belanden we in ‘Renmin Park’ (Park van het Volk). Toegang: 1 yuan (ca. 25 cent) Heerlijk rustige middag er van gemaakt. Lekker lezen, meloen en brood etend en slapen. Het park zit (en ook ligt) vol met groepjes mannen, bier drinkend, kaartend of muziekmakend en dansend.
We bezoeken de tombe van Mahmu al-Kahgari (ca. 11e eeuw). Een beroemde Oeigoerse student die het eerste vergelijkende woordenboek van de Turkse talen schreef. Een oud mannetje hobbelt enthousiast met ons mee. Hij beweert dat hij 115 jaar oud is en toch loopt hij makkelijker de berg op dan ons … We rijden door naar Upal, een typisch Xinjian-dorpje met een levendige markt. Als wij iets te veel interesse tonen voor de ‘muurkrant’ worden we weggejaagd. Bloedige beelden van, door het leger, doodgeschoten Oeigoeren gevolgd door een beeldverhaal van ingenomen wapens, een sterk leger en door de regering opgezette scholen. De anti-onafhankelijkheid activiteiten van de Chinese regering.
Het uitzicht aan het begin van de Karakorum Highway is adembenemend; hoge bergen, witte bergtoppen, kamelen, yaks en schapen. We overnachten in yurts aan het Karakol-meer waar de magnifieke sneeuw- en ijsmassa’s van de Muztagh Ata, de ‘moeder der alle ijsbergen’ hoog (7546 meter) boven ons uittorent.
Het lijkt een geweldig idee om op een pony langs het meer te gaan. Aangezien dit wel een uurtje (of twee) in beslag gaat nemen, lijkt het me niet echt leuk om alleen te gaan. Lode stemt toe. De ponies lijken sloom dus geen probleem. En nee, we willen geen begeleiding mee. Het lijkt geweldig te gaan. Het is fris maar de zon schijnt. Kuddes met yaks en schapen overal om ons heen en een geweldig uitzicht over het meer en op de bergen. Volgeladen kamelen en ezels/ponies komen voorbij. Waar we echter niet op hadden gerekend dat er een pony langs zou komen waar onze twee hengsten helemaal gek van zouden worden … Bokken, steigeren en slaan is het gevolg. Gelukkig komt een herdertje ons helpen, we besluiten direct terug te gaan. Ikzelf ga nog een stuk galopperend langs het meer om me even Ghengiz Khan te voelen …
We worden wakker van iemand die ‘Hallo, Hallo’ roept. We moeten vroeg op, maar dit is toch wel heel vroeg – het is nog donker, met een geweldige sterrenhemel! We horen Door iets terugroepen, maar die stelt vast dat het niet haar Sjaar is. Het blijkt hem toch te zijn. Hij is naar buiten gegaan in slechts een t-shirt en zonder bril en heeft de weg terug niet meer kunnen vinden. Om weer warm te worden drinken ze wodka. Helaas heeft onze fles wodka het niet gered. Nog voor wij de wodka hebben overgegoten in een plastic waterfles (want dan zie je het verschil niet met water – drank mag niet meegenomen worden Pakistan in) valt de fles uit de rugzak kapot op een steen …
Pakistan
Waar vroeger de handelskaravanen zich moeizaam een weg baanden op weg naar de Pakistaanse grens met China, slingert nu de Karakoram Highway. Wij leggen dit traject, parallel aan de oude Zijderoute, met minibusjes af. Het bouwen en onderhouden van deze weg heeft de handel tussen Pakistan en China een enorme stimulans gegeven. De weg vereiste 24 grote en 70 kleinere bruggen. Tijdens de aanleg vielen veel slachtoffers, welke in de vorm van gedenktekens langs de weg herdacht worden. De onvoorspelbare natuur vereist doorlopend waakzaamheid en onderhoud. Regelmatig verdwijnen hele stukken weg door aardverschuivingen en lawines. Via de Khunjerabpas, ’s werelds hoogste grensovergang op 5275 meter, rijden we Pakistan binnen. We staan er een beetje verloren bij zo tussen de sneeuw een helblauwe lucht en windstil weer. Hadden we in Kirgizië en China mooie vergezichten met graslanden en bergen, hier in Pakistan dalen we nu snel af door grillige steile bergen en smalle kloven. De ontzagwekkende, meer dan 7000 meter hoge bergen in Noord-Pakistan kennen een typisch Himalaya-landschap, met indrukwekkende sneeuw- en ijsmassa’s, kamelen, paarden en yak’s.
Ons hotel Mountain View in Karimabad (Hunza-vallei) biedt uitzicht op de Rakaposhi (7797 meter) de Diran (7270 meter) en de Golden Peak. De Hunza-vallei vormt een groen vruchtbaar gebied binnen het Karakoram-gebergte. Terwijl in de vallei de abrikozen- en andere fruitbomen goed gedijen, groeit er in de grillige, piekerige en reusachtige steenmassa’s die tezamen de Karakoram vormen weinig tot niets. De Hunzakuts zouden volgens een mythe langer leven dan andere stammen, omdat ze zich ongans eten aan abrikozen. In Hunza struikel je dan ook letterlijk over de abrikozen. Vanwege ruimtegebrek liggen bergen abrikozen te drogen of te rotten op de daken in de vallei. Inderdaad zijn er ook nogal wat stokoude mensen in Hunza. Maar feit is ook dat veel kinderen het harde bergklimaat niet overleefden, zodat alleen de sterken overbleven. Bovendien laat de keerzijde van het eenzijdige dieet een enorm gebrek aan bijvoorbeeld jodium zien, met als gevolg ziektes en geestelijke gebreken.
De mannen gaan hier in de Hunza-vallei (net als elders in Pakistan) gekleed in een typische ‘shalwar gamiz’, een lange hele wijde broek met daarop een blouse van hetzelfde materiaal die reikt tot over de knieën. De oudere mannen dragen daar vaak een mouwloos vest van schapen- of kamelenwol over heen en een wollen muts die als een dubbele pannenkoek op het hoofd ligt. De vrouwen gaan gekleed in kleurigere shalwar gamiz. In kleine dorpen dragen de vrouwen een dupatta, sjaal, om het haar te bedekken. Speciale dracht in de Hunza-vallei voor de vrouwen zijn de karakteristieke doppa; heel fijn geborduurde petjes in vrolijke frisse kleuren. Veel kinderen (en soms ook vrouwen) hebben zwartomlijnde ogen om de berggeesten bang te maken.
Overal vanuit het zuidelijke deel van de Hunza-vallei is de Rakaposhi goed zichtbaar. Deze witte reus is 7797 meter hoog, het bovenste deel steil en bovendien bedekt met een permanente ijskap.
Opvallend zijn de weinige toeristen. Het blijkt nu toch dat er een negatief reisadvies is voor dit gedeelte van Pakistan i.v.m. de gevechten in Kashmir. De eerste ochtend shoppen wij er vrolijk op los om ieder een shalwar gamiz op de kop te tikken die wij de rest van de reis in Pakistan kunnen dragen. Omdat het verder richting het zuiden strenger islamitisch wordt, moeten alle vrouwen een hoofddoek dragen en liefst wijde kleding.
We bezoeken het Baltit Fort. Jarenlang heeft dit gebouw (in Tibetaanse bouwstijl) dienst gedaan als de residentie van de emir (tot 1940). We krijgen een uitgebreide en zelfs goede engelse rondleiding.
Om 16.30 uur gaan we met jeeps naar het Altit Fort, net als het Baltit Fort meer dan 600 jaar oud, maar nog niet gerestaureerd. Hierna gaan we met de jeep naar het ‘Eagles Nest’ om de zonsondergang te bekijken met een geweldig uitzicht op de verschillende toppen. Lekker met z’n tweeën op een rotsblok genieten van het uitzicht. De rest van de wereld kan ons even gestolen worden.
Om 06.00u (….vakantie?) met z’n vijven naar de Ultar gletsjer. De temperatuur is nog redelijk. We klimmen en klauteren over brokken puin en rotsblokken, anderhalf uur bergop. Niemand in de buurt, denken we. Dan horen we gefluit, vogels? Het blijken werklui te zijn, die hoog boven ons een nieuw pad aan het maken zijn door stukken uit de rotswand op te blazen … Als we de rivier oversteken (van steen naar steen), vallen de eerste brokken steen al naar beneden. Niet veel later klinkt er dynamiet!
Het uitzicht in de kloof is werkelijk schitterend: voor ons Ultar 1 en Ultar 2, achter ons Dinar en Rakaposhi. Als een echte bergbeklimmer leidt Annet onze expeditie, de mannen zwoegen achter haar aan. Gaaf gezicht. Na drieëneenhalf uur omhoog zitten we hoog boven de gletsjer aan de verkeerde kant om veel verder te kunnen. We rusten wat uit, eten en drinken en gaan weer terug. Een zware opgave. Door het smeltwater zijn de stroompjes van vanochtend veranderd in beekjes. We glibberen naar beneden en we halen drie keer een nat pak. Wel spectaculair. Zeven uur na ons vertrek zitten we weer aan een verdiende Pakistaanse maaltijd. Zoals altijd, eerst afzien dan een voldaan gevoel.
De volgende ochtend lopen we buiten Karimabad nog wat rond voordat we naar Gilgit vertrekken. De mensen zijn vriendelijk, de vrouwen verlegen. We worden door twee jochies uitgenodigd om hun tuin te bekijken. Al gauw zitten we binnen aan de thee, moerbeivruchten, koekjes etc. De hele familie komt er bij en nadat we beloofd hebben om de familiefoto’s op te sturen, haasten we ons terug naar het hotel.
Gilgit, een stad met een levendige geschiedenis, heeft nu nauwelijks iets te bieden. Opvallend is dat we steeds minder vrouwen (ouder dan 15 jaar) op straat zien. Ondanks onze nieuwe aangepaste kleding, blijft de felle donkere blik van de moslim-mannen de vrouwen volgen, zij ontwijken nooit je ogen. Menig vrouwelijk lid van onze groep wordt in de billen geknepen… Sommigen zijn zelfs teleurgesteld als het niet gebeurt …
Van Gilgit naar Besham, een lange reisdag. De hele dag de Indus gevolgd. Zijn we verwend, of gewend geraakt aan het landschap van water, steile groene bergen en af en toe een dorp? Ik lees en Annet slaapt. Het doet me denken aan reisdagen in China en India. Je gaat van A naar B en that’s it. Ik mis een beetje het ‘Pakistan-gevoel’. Weinig contact met de bevolking (komt ook door religie), ze staren ons (Annet vooral) aan, knikken naar mij en lopen door.
Onderweg staat op de rotsen gekalkt: JKLF. Jammu Kashmir Liberation Front. We krijgen weinig mee van de gespannen situatie, maar er wordt gebombardeerd op minder dan een dag afstand van hier. Blij dat we dit jaar aan de westkant van de bestandslijn zitten.
We komen op een punt waar de drie bergketens ‘samenkomen’, de Hindu Kush, de Karakoram en de Himalya. Een goed uitzicht op de Nanga Parbat (8125 meter) krijgen we echter niet te zien door de bewolking. De bergruggen onderscheiden zich van elkaar in kleur, samenstelling en aard van gesteente. Aan het einde van de dag volgen er regen- en onweersbuien. In het warmste gedeelte van Pakistan; Chilas, zien we veel Bedford vrachtauto’s. Schilderingen, spiegeltjes, bewerkt chroom, houtsnijwerk – iedere truck is op deze manier een waar kunstwerk. Ook worden met deze vrachtwagens militairen naar het ‘oorlogsgebied’ in Kashmir gebracht, foto’s maken wordt dus niet op prijs gesteld.
We vertrekken richting Miandam waar we twee dagen zullen blijven. Hier in de groene liefelijke Swat-vallei rusten we veel en genieten van de omgeving. Zelfs de temperatuur is hier heel aangenaam. Pakistan verliest de WK-finale cricket dik.
Peshawar is een grote, drukke, hete, lawaaiige stad. Veel mensen, paarden, wagens, tuk-tuks die allemaal gelijktijdig door hetzelfde nauwe straatje willen. Je hebt de grote steden in Azië nodig maar je wilt liever zo snel mogelijk weer weg. De bazaars in de oude stad zijn boeiend. De nauwe straten zijn overdekt met doeken, waardoor ze koeler zijn. Op een plein wordt cricket gespeeld. Veel ‘hello, hello’. Maar ook vragen als ‘Is she a good wife?’ en ‘Is she obedient to you?’. Mij wordt niets gevraagd. Maar als Lode op de laatste vraag ‘nee’ antwoordt, zijn het de onbegrijpelijke blikken van deze mannen die vragen ‘Waarom is hij met haar getrouwd?’.
De Khyber-pas is de doorgangsweg van Afganistan naar Pakistan en is eeuwenlang gebruikt door karavanen met vol beladen yaks, ezels en kamelen langs de zijderoute. Om hierheen te gaan, hebben we een permit en een gewapende militair nodig vanwege de opstandige stammen in het gebied. Het is verboden foto’s te maken van militaire objecten en vrouwen. Onderweg passeren we forten van het Pakistaanse leger en van smokkelbaronnen, Afghaanse vluchtelingenkampen, kleine dorpen van lokale stammen. De weg volgt een door de Engelsen aangelegde spoorlijn. De restanten zijn nog zichtbaar aanwezig, zoals tunnels en bruggen.
We stappen uit en hebben uitzicht op het grensgebied met Afghanistan. Van Youssef (sjacheraar in spé) koop ik wat Afghaans geld. In de verte ligt hun land, waar nu de Talibaan heerst. Zou het leven hier als vluchteling beter zijn? Op de terugweg zien we een stoet van 21 kamelen. Zo moet het er jaren geleden hebben uitgezien.
Voor we vertrekken naar Islamabad, bezoeken we nog een museum (in Victoriaanse stijl) met Tibetaanse stukken, uit de periode dat delen van Pakistan boeddhistisch waren. Geweldige beelden voor wie in Tibet is geweest, helaas staat er weinig bij over de herkomst en betekenis hiervan.
De verkeersregels worden in Pakistan met een korrel zout genomen; bij het inhalen knijpt men de ogen dicht. Hier geldt; Inshallah, Allah’s wil zal geschieden!
We bezoeken in Islamabad de Shah Feisal-moskee, een strak, groot en modern gebouw (ruim 100.000 man kunnen hierin). Een scherp contrast met de rest van onze reis. Deze moskee was een cadeau van koning Faisal van Saoedi-Arabië. Na gezamenlijk een biertje te drinken en met onze schoonste kleding aan vertrekken we naar het vliegveld (40˚). We vliegen met een Pakistaanse maatschappij waar we nog nooit van gehoord hebben. De een heeft geen veiligheidsriem, bij de ander zit de stoelzitting los … De eerste poging om op te stijgen wordt op de startbaan afgebroken wegens een technisch mankement. De tweede poging brengt ons veilig in Karachi om door te vliegen naar Amsterdam met een ietwat luxer vliegtuig.
Geraadpleegde bronnen en aanvullende informatie:
‘Turquoise’ van Wim van Ginkel en Els van Kuijk
‘Central Asia’ van Lonely Planet
‘Karakoram Highway’ van Lonely Planet
‘Reisgids Oezbekistan/Kirgizië’ van Elmar
‘Oezbekistan, Kirgizië, China, Pakistan’, reisverslag van Martijn Maandag en Lia Post
‘The great game’ van Peter Hopkins
Geschiedenis
Oezbekistan
- In de 15e eeuw maakte het nomadenvolk genaamd de Oezbeks opmars vanuit Siberië. Ze ondervonden weinig weerstand toen zij zich vestigden in het westelijk deel van Turkestan, dat nu Oezbekistan heet. China veroverde het oostelijke deel van Turkestan. Door de desinteresse van de belangrijke mogendheden werd Oezbekistan een rustige uithoek van de wereld. In de 19e eeuw werd Oezbekistan politiek weer interessant en toen was de Russische tsaar aan de beurt het te veroveren. Na de Russische revolutie van 1917 wilde Oezbekistan onafhankelijk worden, maar verder dan een status als ‘autonome republiek’ binnen de Sovjet-Unie kwam het niet. Rusland gebruikte Oezbekistan vooral voor de landbouw. Uit irrigatiekanalen die door de rivieren Amu Darya en Syr Darya worden gevoed, stroomt water de woestijn in waardoor het eens zo barre landschap veranderde in vruchtbare katoenvelden. Deze irrigatie heeft wel een ecologisch drama tot gevolg gehad. Het Aralmeer, waarin de twee rivieren uitmonden, is met 70% ingekrompen en zal, als de irrigatie wordt voortgezet, in 2020 verdwenen zijn. Na de val van het communisme zag Oezbekistan haar kans schoon en verklaarde zich onafhankelijk.
Kirgizië – De Kirgiziërs woonden ooit in zuidelijk Siberië, maar werden daar in de 14e eeuw uit verdreven door de Mongoolse troepen van Djengiz Khan. Het volk vluchtte weg en een deel belandde in de 16e eeuw in het Tien Shan-gebergte, in wat nu Kirgizië heet. Dit gebied was tot dan toe vrijwel onbewoond geweest en niemand heeft hen dan ook tegengewerkt, tot de legers van de Russische tsaar naar het oosten trokken. In de communistische tijd viel Kirgizië binnen de USSR. Het land heeft zichzelf inmiddels weer onafhankelijk verklaard en Akayev tot president benoemd, die nooit lid is geweest van de communistische partij.
Xinjiang – Dit is de Chinese woestijnprovincie waarin plaatsen als Urümqi, Kashgar en Turpan liggen. Dit gebied hoort nog niet zolang bij het Chinese rijk. Al sinds het begin van onze jaartelling hadden de Chinese keizers handelsposten in de uitgestrekte woestijnen, maar de daadwerkelijke inlijving van dit gebied bij China dateert uit de 17e en 18e eeuw. Zij noemden het ‘Xinjiang’, hetgeen Mandarijn is voor ‘nieuwe gebieden’. Veel oorspronkelijke bewoners voelen zich nog altijd niet thuis onder de heerschappij van Beijing. De regionale cultuur heeft zwaar te lijden gehad onder het communistische regime in Beijing. Veel moslims pleiten voor de onafhankelijkheid van Oost-Turkestan, of een vereniging met de andere Turks georiënteerde landen in Centraal Azië.
Pakistan – De recente geschiedenis is vooral door de losmaking uit het Britse ‘empire’, de scheiding met Bangladesh, de opeenvolgende weinig democratische regimes en de burenruzies met India uitermate roerig geweest. Vandaag de dag vallen India en Pakistan elkaar nog vrijwel dagelijks aan langs de 720 kilometer lange bestandslijn in Kashmir, het voormalig prinsdom in de westelijke Himalaya’s dat al meer dan vijftig jaar door beide landen wordt geclaimd.
De bewoners van van de Hunza-vallei in Noord-Pakistan zijn grotendeels isma’iliten (genoemd naar Isma’il, de zoon van de zesde imam der sji’iten); zij vormen de ‘liberale tak’ van de islam en zijn volgelingen van de Aga Khan. Hun vrouwen lopen niet gesluierd maar dragen wel een hoofddoek; dit in tegenstelling tot de vrouwen in het overige deel van Pakistan, waar de bevolking streng islamitisch is.
|