Het Koninkrijk der Kluizenaars
Korea is een niet voor de hand liggende vakantiebestemming. De reiziger die
voor het eerst naar het verre oosten gaat zal vaak voor Thailand of
Indonesië kiezen, terwijl in Noord-oost Azië China en Japan meer
aantrekkingskracht op de toerist uitoefenen dan Korea.
Korea kent een eeuwenoude cultuur die van grote invloed is geweest op de regio.
Daarbij doet de natuur niet onder voor die van veel andere aziatische
landen. De geslotenheid van Korea die een gevolg was van vele eeuwen
buitenlandse overheersing bezorgden het land de bijnaam 'Koninkrijk der
Kluizenaars' Deze bijnaam is tegenwoordig zeker niet terecht. Korea staat
open voor de vreemdeling die desondanks slechts mondjesmaat dit land
selecteert voor een bezoek. De reiziger die voor Korea kiest wordt ontvangen
met een hartelijkheid die verlegen maakt. De contacten met de bevolking
worden slechts belemmerd door het helaas matige Engels van de Koreanen.
Wanneer je je daardoor niet laat afschrikken en in staat bent te
communiceren met handen, voeten en een glimlach is Korea een ideale
vakantiebestemming.
Anyeong Haseyo
'Anyeong Haseyo' is Koreaans voor 'Welkom' of 'Goedendag'. Tenzij je met
Korean Air vliegt hoor je het voor het eerst op de Luchthaven Kimpo bij
Seoul. Het welkom is hartelijk en de formaliteiten worden in een minimum aan
tijd afgehandeld. Binnen de kortste keren sta je met je bagage buiten voor
de aankomsthal. De bus naar de Seoul is snel gevonden, maar wanneer je erin
zit wordt je meteen geconfronteerd met een van de minder aangename kanten
van Korea. De constatering dat Koreanen enige last hebben van mondgeur is
een understatement. Grover maar meer waarheidsgetrouw gezegd: Korea stinkt
collectief uit de bek. De oorzaak hiervoor is gemakkelijk aan te wijzen. Het
nationale gerecht van de Koreanen 'Kimchi' is de voornaamste veroorzaker van
de onaangename odeur. Kimchi is een combinatie van witte kool, rode pepers
en knoflook, die men een aantal weken, net als zuurkool, laat fermenteren in
aardewerk potten. Iedere Koreaanse huisvrouw zorgt ervoor altijd voldoende
Kimchi op voorraad te hebben en dus zie je op alle balkons en binnenplaatsen
van Korea de bruine aardewerk potten staan. Kimchi wordt gegeten bij
ontbijt, lunch en diner eventueel aangevuld met rauwe tenen knoflook. Het
laat zich dus raden welke lucht er in de bus hangt. Ik probeer niemand recht
aan te kijken, maar de bus is dermate vol, dat deze ontwijkingstaktiek niet
lukt. Het probleem lost zich gelukkig snel op; na een paar dagen heb je zelf
zoveel Kimchi op, dat je de stank niet meer ruikt.
Intussen zit ik met het probleem dat ik niet weet waar ik uit de bus moet,
dus breng ik, voorzichtig ademhalend, het probleem naar voren bij mijn
medereizigers. Meteen richt de aandacht (en de adem!!) van een twintigtal
passagiers zich rechtstreeks op mij. Na het uitgebreid bestuderen van de
kaart en een flinke onderlinge discussie weet men met geruststellende
gebaren duidelijk te maken, dat men mij op het juiste moment uit de bus zal
helpen. Bij de desbetreffende halte wordt de chauffeur er door twintig man
luidkeels op gewezen dat hij moet stoppen. Dankbaar stap ik de frisse lucht
in, waar even later een tropische regenbui losbarst. In een portiek krijg ik
van een portier een wegwerpparaplu van plastic en bamboe. Hiermee uitgerust
kan ik op zoek naar mijn goedkope herberg. De wegwerpparaplu houdt het niet
lang uit, zodat ik na een half uur al doornat ben. Seoul heeft naast
wolkenkrabbers ook stadsgedeeltes van meer dan een eeuw oud. In een van deze
oude wijken bevindt zich mijn hotel, dat zich door de moeilijke manier van
straatnaamgeving slechts met behulp van een tiental Koreanen laat vinden. Na
twee uur ronddwalen in een betrekkelijk klein gebied bereik ik mijn
bestemming en houdt het ook op met regenen.
De herberg, gebouwd op traditionele wijze met de kamers rond een (overdekte)
binnenplaats, is meer dan een eeuw oud. De herbergierse verwent me met een
mok thee van een halve liter, waarna ik snel m'n bed opzoek om de jetlag weg
te slapen.
Het is de lente.
Een aantal weken voordat ik in Seoul arriveer zijn er studentenrellen
uitgebroken, die nog steeds voortduren. De stad wordt letterlijk overspoeld
met agenten. Geen straathoek of er staat minstens 10 man politie, iedere
metro-uitgang wordt door zes man bewaakt, terwijl op strategische plaatsen
grote gepantserde bussen met reservepersoneel staan. De uitrusting van de
politie zorgt ervoor dat ze eruit zien als de soldaten van 'Darth Vader' uit
de film 'Star Wars'. De politie wordt aangevuld met militairen, die in
burger, maar getooid met koppel, wapenstok en snelle honkbalpet openbare
gebouwen bewaken. Er gaat een dreigende sfeer uit van zoveel openbare macht.
De agenten zijn in touw van 's morgens zes tot middernacht. De ene helft
staat daadwerkelijk op wacht, de andere helft rust uit in nabijgelegen
plantsoenen. Het gedeelte dat uitrust vermaakt zich met voetballen zingen en
gitaarspelen en is best bereid tot een praatje, zij het ook hier weer met
handen en voeten. Een diepgaande discussie is daardoor niet mogelijk, maar
wat al wel snel duidelijk wordt is dat vechten met brandflessen gooiende
studenten niet hun favoriete bezigheid is.
De studenten mis ik de eerste dagen. Ondanks dat de kranten voortdurend over
rellen schrijven en ik in het kader van de sightseeing door heel Seoul trek
kom ik geen studenten tegen. Pas na een aantal dagen merk ik dat er traangas
in de lucht zit en zie ik in de verte een demonstratie. Een efficiënt
politiekordon zorgt ervoor dat ik, mocht ik de behoefte al voelen, niet in
de buurt van de studenten kan komen.
De volgende dag ontmoet ik een aantal studenten in Pagodepark, vlak bij de
universiteit van Seoul. Gelukkig spreken zij wel verstaanbaar Engels. De
studenten maken duidelijk dat ze vooral ijveren voor een verhoging van het
democratisch gehalte van de regering en voor een samengaan van Zuid- met
Noord-Korea. Dichtbij zit op een bankje een man van middelbare leeftijd. Hij
hoort de studenten eerst glimlachend aan om zich daarna in het gesprek te
mengen. 'Het komt door de lente' zegt hij; 'zo gauw de lente begint,
beginnen de studenten met het maken van afspraakjes'. 'Dating' en met name
de 'Blind-variant' is in Korea een typische aktiviteit voor studenten; de
meeste huwelijken worden nog gearrangeerd. De studenten beamen dat het
'dating' in de lente inderdaad een hoogtepunt bereikt. 'Zie je wel' vervolgt
de man, 'jullie maken afspraakjes, maar die lopen op niets uit en jullie
reageren daarna je frustraties af op de politie'. Het gesprek dat tot nog
toe in het Engels werd gevoerd gaat rap over in het Koreaans. Hoewel ik er
niets meer van begrijp blijft de atmosfeer gemoedelijk. Na enige tijd komt
men toch tot een gemeenschappelijke conclusie, die me in het engels wordt
medegedeeld: 'het is de lente'. Ik vraag me nu nog af of het slaat op de
rellen of de afspraakjes.
Master Kwon
'Welcome, welcome', Master Kwon grijnst van oor tot oor terwijl hij me
welkom heet in zijn herberg. De reisgids lijkt in ieder geval gelijk te
hebben voor wat betreft de vriendelijkheid van de eigenaar van het Han Jin
hostel in Kyong-Ju. Nog steeds breed grijnzend gaat hij me voor naar mijn
kamer. In de goedkope herbergen van Korea moet je je daar trouwens niet al
te veel van voorstellen. De kamer bestaat uit een kale vloer, een dun matras
en een dikke deken en heeft nog het meeste weg van een isoleercel. Gedurende
mijn eerste week in Korea wordt ik dan ook op de vreemdste momenten wakker,
omdat elke draai in mijn slaap zich vertaald in een pijnscheut door mijn
heupen. Opmerkelijk luxe is wel de 'Ondol', een systeem van vloerverwarming
waarmee de Koreanen na de Romeinen op het moderne westen een voorsprong van
vele eeuwen hebben.
Master Kwon is een harde onderhandelaar wat de kamerprijs betreft, maar laat
even later mijn was doen voor een schijntje. Waar je je ook begeeft in de
herberg, overal duikt het lachende gezicht van Kwon op. Hij kent de omgeving
op zijn duimpje en zit boordevol tips voor wandelingen en dagtochtjes. De
route die hij aangeeft voor de 550 meter hoge Namsa-berg blijkt bezaaid te
zijn met duizend jaar oude boeddhabeelden en -rotstekeningen. Het pad naar
boven is vrij steil en af en toe zelfs gevaarlijk. Dit weerhoudt een
zevental vrouwelijke pelgrims op leeftijd er niet van om ook naar boven te
klimmen. Uit de grote aantallen tassen die ze meeslepen komt een maaltijd
tevoorschijn, waaraan de naam picknick onvoldoende recht doet. Zoals zo vaak
in Korea ontkom ik er niet aan om een hapje mee te eten. De gezamenlijke
maaltijd onder de goedkeurende blik van Boeddha duurt ruim een uur. Terwijl
ik nog wat zit bij te komen van de maaltijd, spurten de dames verder naar de
top, die ik een uur na hen bereik.
Een van Master Kwon's hobby's is kalligrafie, een liefhebberij die hij graag
deelt met zijn gasten. Mijn onbeholpen penseelstreken lokken slechts mild
commentaar bij hem uit. Hij doet pogingen om de Koreaanse gedichten te
vertalen en te verklaren voor zijn gasten, maar de poëzie blijkt iets te
diepzinnig voor een simpele westerse geest.
Een spectaculaire kant van Kwon blijkt zijn beheersing van Yoga te zijn.
Ondanks zijn 64 jaar haalt hij tussen zes en zeven uur 's avonds de meest
halsbrekende toeren uit op zijn binnenplaats, dit tot groot vermaak van de
hotelgasten. Een Zweedse gast die ingaat op de uitdaging om een van zijn
oefeningen na te doen (dit met als inzet een gratis verblijf) faalt
jammerlijk en loopt dagen later nog met een pijnlijke rug rond.
Uit een briefje op het prikbord blijkt dat Master Kwon munten spaart. Onder
uit m'n rugzak komen nog wat guldens, dubbeltjes en kwartjes, die ik graag
afsta aan de verzameling. Deze gift wordt gewaardeerd, want als ik 's avonds
thuiskom staat Kwon me reeds op te wachten. Ik moet de tuin in en genieten
van zijn zelfgebrouwen rijstwijn. Samen worden we die avond behoorlijk
dronken. Kwon's beheersing van de brouwkunst blijkt wel uit het feit dat ik
de volgende morgen totaal geen last heb van een kater.
Net voor m'n vertrek betaal ik m'n rekening en geef hem een paar ansichten
van Nederland. Terwijl ik naar buiten loop houdt hij met tegen. 'Wacht',
zegt hij en duikt in een kast. Hij komt te voorschijn met een paar witte
sokken, die versierd zijn met ingeweven rode roosjes. 'Alsjeblieft' zegt hij
en geeft me de sokken, 'dan herinner je je master Kwon tenminste als je weer
in Holland bent'.
Soju
Meer nog dan eten is drinken in Korea een ervaring die niet gemist mag
worden. Het gebruik van bier is wijdverbreid in Korea. De twee voornaamste
merken Crown en OB zijn in een hevige concurrentieslag verwikkeld. Wanneer
Crown een bar opent in een bepaalde straat, dan zal OB snel volgen en
omgekeerd. Gevolg hiervan is dat je ook in de kleinste dorpen minstens twee
bierbars aantreft. De laatste trend op dit gebied zijn bars met een 'echt
duitse' inrichting met veel vakwerk hout en zelfs obers in lederhosen.
Het echte drinken doe je echter niet in een bar, maar op straat. Overal in
Korea worden tegen het vallen van de avond de sojukramen opgezet. Soju wordt
gestookt van rijstwijn en heeft een alcoholpercentage van 25 procent. De
smaak heeft iets weg van jonge jenever en een fles van 0,4 liter wordt
verkocht voor omgerekend twee gulden. Naast soju verkopen de kramen ook
snacks als gebakken pens, darmen en inktvis maar ook meer herkenbaar vlees
als kip en hond. Het verkopen van voedsel heeft tot gevolg dat de mannen die
na afloop van hun dagtaak een borreltje gaan drinken niet naar huis hoeven
om te eten en pas vele uren later weer uit de kraam komen. De invloed van
deze sojukramen op het gezinsleven in Korea laat zich aldus niet moeilijk
raden.
Nog een stapje lager op de horecaladder en je zit in de, zoals ik ze maar
noem, stoepkroegen. Deze worden gevormd door een winkeltje van twee
vierkante meter, een ijskast en een tafeltje met een aantal krukjes op het
trottoir.
Gastvrij als de Koreanen zijn is het als westerling onmogelijk om een
stoepkroeg te passeren zonder uitgenodigd te worden voor een drankje. Omdat
ik geen liefhebber ben van sterke drank weet ik deze uitnodigingen meestal
vriendelijk af te wijzen. In Taejon ontkom ik er echter niet aan. De mannen,
(drinken is in Korea een pure mannenzaak) zitten strategisch opgesteld over
het hele trottoir en accepteren geen afwijzing. Zonder veel moeite laat ik
me overtuigen. Drinken in Korea is vooral een sociaal gebeuren, wat echter
niet hetzelfde is als sociaal drinken. In principe schenk je nooit je eigen
glas vol. De juiste procedure verloopt als volgt. Je krijgt door een van de
gasten met twee handen zijn lege glas aangeboden. Dat glas accepteer je met
twee handen en je houdt het zo, dat de aanbieder het glas kan volschenken.
Met een vrolijk 'Kan Bei' (proost) sla je het glas achterover, waarna niets
je ervan weerhoudt om de aanbieder op dezelfde wijze terug te pakken. Het
gezamenlijk gebruik van de glazen is niet erg hygiënisch, maar weigeren is
een belediging en alcohol doodt de bacteriën. Het wordt een gezellige avond
in Taejon. Terwijl de stemming stijgt ga ik steeds beter Koreaans spreken,
terwijl de rest zelfs engelse klanken lijkt te produceren. De avond eindigt
wanneer de eigenaar van de stoepkroeg zijn tent sluit. Ik krijg een
gedroogde inktvis mee voor onderweg en loop, niet helemaal volgens de
kortste weg, terug naar mijn guesthouse. Wanneer ik de trap van het hotel
opstommel kijkt de eigenaresse me vanuit haar kantoortje begrijpend aan. Ze
zegt slechts een woord: 'Soju'.
5000 albums
De Sunrise-Peak bij het plaatsje Song-San-Po op Cheju-do is een echte
toeristische attraktie. Cheju-do is een eiland ten zuiden van Korea en
zonder meer de voornaamste trekpleister voor het binnenlands toerisme.
Hoewel de reisbeperkingen die voorheen voor Zuid-Koreanen golden nagenoeg
opgeheven zijn, blijft Cheju-do voor de meeste Koreanen reisbestemming
nummer één. Een Koreaanse huwelijksreis is niet compleet zonder een bezoek
aan Cheju-do.
Als toeristen voldoen de Koreanen nagenoeg aan het zelfde stereotype als de
reizende Japanner. Een bezienswaardigheid is er niet om van te genieten,
deze dient in zo kort mogelijke tijd gefotografeerd te worden. Daarnaast
schijnen Koreaanse ontwikkelcentrales alleen foto's te kunnen afdrukken,
waarop ook mensen staan. Een object is pas fotogeniek als er een of meerdere
leden van de familie of het reisgezelschap voorstaan. Ik incasseer dan ook
regelmatig meewarige blikken wanneer ik een foto maak van een tempel waar
niemand voorstaat. Het komt zelfs voor dat mijn camera met zachte drang uit
mijn handen wordt genomen, zodat men mij tegen de passende achtergrond kan
fotograferen. Zoals het hoort.
Sunrise Peak moet als attraktie wedijveren met de talrijke Harubang- of
grootvaderfiguren die Cheju-do rijk is. De Harubangs, twee meter hoge
beelden van lavasteen, vertonen een opvallende gelijkenis met de beelden op
Paaseiland. Je treft ze werkelijk overal op het eiland aan.
Er is echter maar een Sunrise peak. De Peak bestaat uit de krater van een
uitgedoofde vulkaan en ligt op het oostelijk puntje van Cheju-do. Zoals de
naam al aangeeft is dit de plaats om de allereerste stralen van de
zonsopkomst mee te pikken. Dit vereist wel een zeer vroege aanwezigheid en
dat is iets wat zich in de vakantie moeilijk laat opbrengen. Ik ben echter
niet de enige die van uitslapen houdt. Als ik rond half elf bij de Peak
aankom arriveren ook de eerste tourbussen met Koreanen die net als ik de
zonsopkomst gemist hebben. De Koreanen storten zich massaal op de talrijke
winkeltjes met souvenirs en snacks. De mini-harubangs en gedroogde
inktvissen mogen zich in een grote belangstelling verheugen, terwijl ik, net
voor de grote stroom uit, begin aan de beklimming van de peak. De 200 meter
hoogteverschil naar de top mag dan niet echt een uitdaging vormen, de
temperatuur van 33° Celsius zorgt er toch voor dat ik hijgend en nat van het
transpireren boven arriveer. Ik zijg neer op een rotsblok, maar veel rust is
me niet gegund. Na twee minuten staat er een meisje van een jaar of veertien
voor me die in het Koreaans iets van me wil. Snappen doe ik het niet dus ik
geef haar een ansichtkaart van Amsterdam. Die wordt in dank aanvaard, maar
dat was toch niet de bedoeling. Ze probeert het nog even, maar wanneer ze
merkt dat ik echt geen Koreaans spreek, grijpt ze me resoluut bij de arm. Ik
word meegesleept naar de rand van de vulkaan en neergepoot tussen een zestal
giechelende Koreaanse meisjes. Inmiddels is me duidelijk geworden dat ik als
exotisch element wordt gebruikt om de foto van de inderdaad ietwat saaie
krater te verlevendigen. Braaf zeg ik een keer 'cheese' en herhaal dit een
paar keer voor de camera's van de andere meisjes. Hiermee is het hek echter
van de dam. Binnen de kortste keren hebben ook de andere aanwezigen de
fotografische mogelijkheden van mijn aanwezigheid door. Eén voor één of in
groepen tot dertig personen willen ze met me op de foto. Omdat ze in een
eindeloze stroom komen de berg opkomen, gaat ook het fotograferen achter
elkaar door. Aanvankelijk probeer ik nog wat te protesteren, maar al erg
snel ga ik er de lol van inzien. Anderhalf uur lang neem ik de gevraagde
poses aan en laat me braaf letterlijk honderden keren op de gevoelige plaat
vastleggen. In de bus terug naar Cheju-stad besef ik pas wat de fotosessie
betekend; met alle nabestellingen mee kom ik in zo'n 5000 Koreaanse
fotoalbums terecht. Licht geamuseerd bedenk ik dat dit toch wel een aardige
manier is om bij te dragen aan de toenadering tussen Oost en West. De kloof
blijft echter bestaan. Ik weet niet in welke albums ik allemaal zit, terwijl
zij zich eeuwig af zullen blijven vragen wie toch die lachende,
lichtverbrande westerling is.
De laatste echte grens
Panmunjon is het dorpje waar na de Koreaanse oorlog de ondehandelingen over
de wapenstilstand werden gevoerd. In 1953 sloten hier de Noord-Koreanen en
de Verenigde Naties het verdrag dat een einde maakte aan drie jaar hevige
strijd. Het destijds gesloten verdrag is nog steeds van kracht en een bezoek
aan Panmunjon kan dan ook alleen onder begeleiding van VN-personeel. De
excursies blijken weken vooruit te zijn volgeboekt, maar door een late
afzegging kan ik mee met een bus van de Amerikaanse welzijnszorg. De
excursie begint als een schoolreisje. De lacherige sfeer die in de bus hangt
wordt echter snel minder wanneer we na een uur de zware verdedigingslinies
bereiken. Kenneth Parker, een korporaal van het Amerikaanse leger die deze
dag optreedt als gids weet de stemming nog meer te drukken door het opsommen
van de uitgebreide regels waaraan we ons die dag hebben te houden. Als hij
ons ook nog een verklaring laat tekenen die aangeeft dat de Verenigde Naties
niet aansprakelijk zijn voor enig onheil (waaronder de dood) dat ons kan
overkomen beseffen we het pas echt: 'Dit is serieus'.
Driemaal gecontroleerd en getooid met een bezoekerspas rijden we met een
legerbus langzaam de gedemilitairiseerde zone in. Deze zone, DMZ in het
spraakgebruik, bestaat uit een vier kilometer brede strook op en rond de
38-ste breedtegraad, waarin volgens het wapenstilstandsverdag alle militaire
aktiviteit verboden is. Slechts in Panmunjon bevindt zich een twee vierkante
kilometer groot gebied waar Noord-Koreanen en VN-personeel samen de scepter
zwaaien. Hier bevinden zich ook de barakken waar al bijna 40 jaar de
besprekingen plaatsvinden over de handhaving van het verdrag.
Het gezamenlijke bestuur van Panmunjon heeft de afgelopen veertig jaar de
nodige problemen gegeven. Naast feitelijke informatie bestaat de helft van
het Parker's verhaal uit aanwijzingen betreffende ons gedrag. Als we na
enige tijd uit de bus mogen volgen we hem volledig geconditioneerd in een
compacte groep naar de onderhandelingsbarak. De Amerikaanse en
Zuid-Koreaanse mariniers die voor onze veiligheid rond de barak geposteerd
worden dragen nog eens extra bij aan het dreigende karakter van dit bezoek.
De dreiging blijkt vooralsnog slechts te bestaan uit een tweetal
Noord-Koreaanse officieren die door de ramen de barak instaren. Uiterlijk
geheel onbewogen laten ze zich uitgebreid fotograferen door de deelnemers
aan de excursie. Ook de Noord-Koreanen laten zich niet onbetuigd, want even
later leggen ook zij de groep vast op de gevoelige plaat.
Parker verteld inmiddels wat anekdotes over de onderhandelingen en over de
omgeving. Zo was er in de jaren vijftig een conflict over de grootte van de
vlaggen die de onderhandelingstafel sierden. Gevolg hiervan was dat bij
ieder overleg de delegaties steeds grotere vlaggen meebrachten. Toen deze zo
groot werden dat ze niet meer in de barak pasten, werd een speciale
conferentie belegd, om dit probleem op te lossen. Na twee weken praten werd
overeenstemming bereikt over de twee vlaggetjes die nu nog op de tafel
staan. Een soortgelijk conflict zorgde ervoor dat Noord en Zuid Korea
vlaggemasten plaatsten van respectievelijk 160 en 100 meter lang.
Het Zuid-Koreaanse dorpje in de DMZ, Peace Village genaamd, deed de
Noord-Koreanen besluiten ook een Dorp te bouwen met uiteraard hogere
gebouwen. Omdat er echter niemand in dit dorp woont kreeg het in het Zuiden
al snel de naam Propaganda-village.
De serieuze toon overheerst in het verhaal van korporaal Parker. HIj brengt
onz naar een uitkijkpunt waar de noordelijk propaganda luidsprekers goed te
horen zijn. De luidsprekers die meestal 24 uur per dag aanstaan brengen die
dag een programma met de Noord-Koreaanse variant van de Top 40. Terwijl we
uitkijken over Noord-Korea verteld hij over een aantal incidenten gedurende
de afgelopen decennia, waarbij regelmatig doden te betreuren waren.
In Korea gaan voorzichtige stemmen op over de eenwording van beide
landsdelen. Op regeringsniveau ziet men de eenwording echter als een zaak
voor de lange termijn. Tot het moment van eenwording zal Korporaal Parker
nog heel wat rondleidingen kunnen verzorgen langs de laaste echte grens
tussen het communisme en de vrije wereld.
Stappen in Seoul
Iroshi komt de kamer binnenstuiven met een erg verhitte blik. 'Ooh, it's
hot' weet hij er nog net uit te brengen terwijl hij het minieme raampje van
onze kamer in de Bando-jeugdherberg opengooit. Hij heeft gelijk; het is heet
en vochtig in Seoul en de airconditioning werkt niet overdreven hard. Het
Bando Youth Hostel is meer afgestemd op de betere Koreaanse middenklasse dan
op buitenlandse low budget-reizigers. De slaapzalen op de vierde verdieping
zijn eigenlijk twee-persoonskamers waar het management zes bedden ingeperst
heeft. Ondanks dit efficiënte gebruik van ruimte is de opbrengst per kamer
blijkbaar niet hoog genoeg. Er wordt dus ook bespaard op het energiegebruik,
op de andere verdiepingen is het aanmerkelijk koeler.
Daar staat tegenover dat de kamer is uitgerust met een televisietoestel.
Zonder aan televisie verslaafd te zijn is het na drie weken lekker om weer
eens verstaanbaar nieuws te horen, ook al is de bron AFKN, de Amerikaanse
legerzender enigszins gekleurd.
Naar dat nieuws zit ik op zaterdagavond te kijken wanneer Iroshi de kamer
binnenstuift. Ik overweeg even om hem uit te leggen dat de airconditioning
alleen werkt als het raam dicht is, maar besluit de moeite niet te nemen.
Iroshi heeft de avond tevoren getracht mij uit te leggen in welke fase van
welke opleiding hij zit. Ondanks zijn voor een Japanner alleszins
acceptabele Engels lukt het niet echt. Omdat hij eveneens heeft verklaard
a-technisch te zijn, probeer ik het maar niet met de airco. Iroshi is een
beetje een Japans buitenbeentje. Het komt er op neer dat hij zich nogal
individualistisch opstelt, een houding waarmee je in de BV Japan niet echt
vrienden maakt. Het feit dat Iroshi alléén door Korea reist, terwijl zijn
landgenoten dat in goedgedresseerde kuddes doen, spreekt boekdelen.
Iroshi heeft me uitgenodigd voor een avondje uit in Seoul. Stappen in Seoul
is geen probleem. Zowel in het centrum als in de buitenwijken stikt het van
kleine restaurantjes en gezellige kroegen. De inrichting is vaak minimaal,
maar daar staat tegenover dat het eten redelijk goedkoop is. Zolang je de
tenten mijdt waar naast een koele pils een warme juffrouw wordt geserveerd,
is ook drinken niet echt duur.
Ik ben dus benieuwd wat Iroshi voor plannen in gedachten heeft. Hij wil het
echter spannend houden en verraad niets. Ondanks het perfecte metrosysteem
nemen we de bus. We stappen uit in de buurt van het Hyundai warenhuis waar
Iroshi met mij in zijn kielzog meteen naar binnen loopt. Voor ik goed en wel
besef wat er gebeurd staan we op de bovenste verdieping waar Iroshi stralend
wijst naar een restaurant dat door het royale gebruik van witte vlaggen met
een rode zon niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. 'Japanese Food'
zegt Iroshi ten overvloede met een gelukzalige glimlach op zijn gezicht.
Uiteraard kan ik nu een discussie beginnen over zijn individualistische aard
maar ik besluit hem zijn lol te gunnen en stort me op de rauwe vis. Na een
uur staan we weer buiten waar Iroshi meteen de bushalte opzoekt. Ik begrijp
dat de wilde zaterdagavond bijna afgelopen is en volg hem naar ons hotel. In
de jeugdherberg valt Iroshi op zijn bed als een blok in slaap. Als
alternatief voor een avond doorzakken herhaalt AFKN voor mij 'Golden Girls'.
Kamsa Hamsamida
Iedere vakantie schijn je recht te hebben op een percentage onaardige
mensen. Waar je ook komt, er zijn narrige obers, vervelende treinconducteurs
en onaardige politieagenten. Korea vormt een uitzondering. Gedurende drie
weken rondreizen ben ik alleen maar aardige, behulpzame mensen tegengekomen.
Mijn beperkte kennis van het Koreaans werd geduldig geaccepteerd en een duim
in de lucht betekende binnen vijf minuten een lift. Drie seconden hulpeloos
rondkijken op een kruispunt leverde meer dan eens een gids op die een half
uur uittrok om te helpen het gezochte adres te vinden. En wanneer ik alle
uitnodigingen om een hapje mee te eten aangenomen zou hebben, zou ik tien
kilo zwaarder weer thuisgekomen zijn. Deze vriendelijkheid maakt dat je je
in Korea niet alleen toerist, maar ook thuis voelt. Daarom: bedankt Korea,
of op zijn Koreaans: Kamsa Hamsamida.
|
|
|



|
 |