TravelSource.nl Logo 
HomeDagaanbiedingenAutohuurHotelsKortingsactiesVakantiehuizenVakantieparkenVliegtickets ReisverhalenLandeninformatieHelp
Afrika Auteur : Tristan Raggers
 Azië 
Australië E-mail adres : tristan@onwalkabout.nl
Europa 
Noord Amerika URL Homepage : http://www.onwalkabout.nl/reisverslagen.htm
Zuid Amerika   
Wereldreizen Reisverhalen : Island hoppen in de Filippijnen






 Island hoppen in de Filippijnen. Reisverslag van Tristan Raggers

Island hoppen in de Filippijnen

Tristan Raggers zwierf met een vriend en een opvouwbare kano twee jaar over de wereld. Al eerder verscheen hij in Outdoor Magazine over Bangladesh, nu vertelt hij over de eertse etappe van zijn kano-tocht, tussen de bounty-eilanden van de Filippijnen.
Vanuit dit strand gaan we onze eerste overtocht maken naar het eiland Carabao dat in de verte ligt. Deze oversteek is vijf kilometer.
Na twee weken duiken op het eiland Boracay in de Filippijnse archipel gaat de 'World Canoe Expedition' van start. De komende zes weken willen we met onze opvouwbare canadees wegvaren van het toerisme in de richting van onbekende eilandjes. Voordat we beginnen aan de eerste etappe naar de noordelijker gelegen Carabao en Tablas Islands, moeten we eerst wachten totdat een lichte typhoon is overgewaaid.

Overnachten op een verlaten eiland. Door de hoge vloedlijn moeten we de tent zo dicht mogelijk tegen de begroeiing aanzetten en beschermen met boomstammen om de volgende morgen niet met natte voeten wakker te worden.
Na drie dagen is de storm voorbij en slaan we eten en water voor een paar dagen in. Op het moment dat we de Ally naar het strand dragen zijn wij voor de verandering 'de toeristische attractie'. Menig mond valt open als we vertellen dat we naar Santa Fe op Tablas Island gaan, zo'n twee dagen peddelen van hier. "Why don't you go by banka(1), it's only 50 peso". We kunnen ze niet laten begrijpen dat we dit voor ons plezier doen. "Waarom beklimmen mensen bergen ?", dat is net zoiets. Een Duitser, die hier volgens zeggen al dertien jaar komt, vertelt ons over de sterke stroming en de hoge golven die er tussen Boracay en Carabao Island zijn. Dit weten we echter al omdat we tijdens een van onze proeftochten eerder in deze passage hebben gevaren. Daarom maken we de oversteek ook tussen de getijdenstromingen door en hebben we ons vertrek van de windsterkte af laten hangen. Wat we echter nog niet weten is dat er, volgens hem, acht meter lange, zeer hongerige, haaien leven, er gevaarlijke draaikolken zijn en dat de bewoners van Carabao Island vriendelijk lijken maar niet te vertrouwen zijn. Het is ons al snel duidelijk dat deze man nogal van overdrijven houdt of ons gewoon wil proberen te imponeren met zijn stoere praatjes. We weten dat er haaien leven want die hebben we een aantal dagen geleden tijdens het duiken zelf gezien, maar dat is wel op dertig meter diepte. We weten ook dat de film 'Jaws' hier niet is opgenomen, dat er geen schepen door draaikolken of wat voor reden dan ook zijn vergaan en dat er geen kannibalen of koppensnellers meer op Carabao Island leven. De hoogste tijd dus om te vertrekken. Via de westelijke kustlijn van Boracay varen we naar de top van het eiland. De wind komt vanuit het oosten, dus de eerste zes kilometer varen we in de luwte. Voordat we langs de kliffen, in het noorden van het eiland, varen en aan de oversteek beginnen, spannen we het spatzeil op een strandje over de Ally en trekken onze zwemvesten aan. De overtocht blijkt in het begin mee te vallen, totdat we halverwege in kruisgolven terecht komen: Dit is als er golven van verschillende kanten tegen elkaar opbotsen en een onvoorspelbare, vaak rollende golf, laat ontstaan. Het is net alsof we op een wildwater rivier varen en kunnen de kano dan ook maar met moeite in koers houden. Golven slaan stuk op het spatdek en we gaan nog maar langzaam vooruit. Als we de kruisgolven voorbij zijn, hebben we de golven half van achteren, waardoor we minder peddelslagen hoeven te geven om toch snel vooruit te komen. We zijn nu ruim over de helft en het is nog zo'n twee kilometer tot Carabao Island.

Kinderen zijn altijd nieuwsgierig en brengen mooie glimlachen.
We landen bij een klein strandje waar een tiental kinderen spelen. We vragen de ouders of we hier even kunnen zwemmen en uitrusten. We delen wat snoep aan de kinderen en sigaretten aan de mannen uit. Voor het eerst maken we de ontspannen Filippijnse sfeer mee. Kinderen rennen in hun blootje rond en verdringen zich om ons en de kano heen. De ouders lachen en kijken toe vanuit de schaduw of komen nieuwsgierig aan de kano voelen. We varen verder langs de kust en genieten van het alleen zijn, de vrijheid en weg van het toerisme. Aan het eind van de middag komen we bij een piepklein dorpje uit. Men spreekt hier geen woord Engels en met tekeningen en gebaren proberen we uit te leggen dat we hier onze tent op willen zetten om de nacht door te brengen. "Wat bedoelen die gekke blanke... niemand kan toch een huis in zo'n klein bootje meenemen?!". Men gebaart ons mee te komen en bieden ons een slaapplaats in een leegstaand huisje aan. Een van de dorpsjongens is vereerd met zijn nieuwe westerse vrienden en klimt in een palmboom om een aantal kokosnoten voor ons te plukken.

Het dorpje begint de volgende ochtend al vroeg te leven. Op het moment dat wij vertrekken zijn de meeste vissers al uitgevaren. De zee is rustig en er staat weinig wind. We varen kilometers langs hoge kliffen met af en toe een klein strandje. Het eiland kent niet veel bewoners, slecht een enkele keer komen we een vissersbootje van de dorpelingen tegen, waar we afgelopen nacht bij in het dorp hebben geslapen. Op de kop van het eiland is een dorpje waar we aanmeren. Aan een visser op het strand proberen we met gebaren te vragen of de oversteek naar Santa Fe een probleem zal zijn: "No prob-bel-lem, no prob-bel-lem", is zijn antwoord. De oversteek is langer dan van Boracay naar Carabao Island, maar de zee is zo rustig dat het inderdaad geen enkel probleem geeft.

Vissersboot zonder vangst

Jeepneys worden zo mooi mogelijk gemaakt om veel klanten te trekken
De volgende bestemming is de Calamian Group in Noord Palawan. Om hier te komen moeten we eerst naar Mindoro. Dit eiland ligt echter te ver weg om de oversteek per kano te maken. In de havenplaats Odionga, zo'n twee dagen peddelen van Santa Fe, vertrekt een grootte outriggerboot(1) naar Mindoro. Als we hier aankomen nemen we een jeepney(2) naar San Jose dat aan de andere kant van het eiland ligt en waar boten naar Palawan vertrekken. In San Jose beginnen we te informeren wanneer er een boot naar Coron, in Noord Palawan, vertrekt. In tegenstelling met wat ons is verteld, blijkt er helemaal geen regelmatige passagiersverbinding vanaf San Jose naar Palawan te gaan. De reden hiervoor is dat de zee in deze straat vaak onvoorspelbaar en te gevaarlijk voor de kleine bootjes is. Daarbij staat er een sterke stroming die naar de Zuid Chinese Zee leidt en er, in geval van afdrijven, voor honderden kilometers geen land meer te bekennen is. Met al deze informatie valt ook de oversteek met onze Ally, volgens de veiligheidsmaatregelen van ons persoonlijke kano handboek, af. Alleen de oversteek met een grootte passagiersboot vanuit Manilla zou verantwoord zijn. Nu hebben we alleen de pech dat deze maar één keer per week vertrekt en dat was gisteren. Ik krijg het idee om het eens bij de grote vaart te proberen. Het blijkt dat er die avond een grote olietanker vanuit Manilla binnenkomt die de volgende ochtend naar Puerto Princesa vertrekt. We zouden eventueel met dit schip mee kunnen. Puerto Princesa ligt echter wel op Palawan, maar veel te veel naar het zuiden. Het zal dagen kosten om dan weer terug naar Coron te reizen. We besluiten terug naar de haven te gaan en aan de vissers te vragen of iemand naar Coron gaat waar we eventueel mee aan boord kunnen. Bobby, onze tricycle(3) chauffeur die ons naar de haven brengt, blijkt erg behulpzaam als we hem ons probleem voorleggen. Bij de vissersboten helpt hij ons met vertalen. Na een lange tijd van rondvragen, komen we uiteindelijk bij een boot aan die vannacht om vijf uur naar Lungaon vertrekt. Lungaon is een klein vissersdorpje op Busuanga Island, hetzelfde eiland waar Coron ook ligt. De kapitein is er op dat moment niet maar één van zijn bemanningsleden zegt dat we om 02.00 uur terug moeten komen. We nodigen Bobby, als dank voor zijn hulp, bij het avondmaal uit en vragen of hij ons vannacht weer naar de haven wil brengen en kan helpen met vertalen. Als Bobby ons bij het hotel op komt halen, heeft hij een vriend meegenomen. Hij legt uit dat het hier 's avonds niet veilig is, dat er vaak mensen worden overvallen en hier niet alleen durft te komen. We gaan terug naar het strandje waar de vissersboot voor anker ligt. Als wij er geen problemen mee hebben om de nacht verder op het dek te slapen heeft ook de kapitein er geen probleem mee als we met hem meevaren. We hoeven er zelfs niets voor te betalen. Om 05.00 uur wordt de rest van de bemanning wakker. Ze staan eerst raar te kijken als ze ons zien omdat ze nog nooit eerder blanke passagiers mee hebben genomen. Wij trekken dan ook alle aandacht en worden snel in de groep opgenomen. Helaas wordt er op deze tocht niet veel gevist omdat ze op weg naar hun thuisbasis zijn. Lungaon is maar een klein dorpje waar niet meer dan vijftig vissers wonen. Omdat Coron aan de andere kant van het eiland ligt en er geen weg over het eiland naar dit dorp loopt, biedt onze kano de ideale oplossing. De vissers kijken met grote verbazing hoe wij uit onze tas zo'n grootte boot weten te bouwen. In eerste instantie kijken ze maar wantrouwend naar de lichte constructie, maar als we ze laten zien hoe je de boot moet bevaren, raken ze overtuigd en staan ze te dringen om het zelf eens uit te proberen. "Daar moet op gedronken worden !", zeggen ze. Er worden meteen enkele flessen Tanduay rum tevoorschijn gehaald en worden er een aantal vissen op het vuur gaar gebakken. Het duurt niet lang of we zijn te zat om de peddels nog serieus vast te pakken en beginnen de volgende dag pas met de tocht naar het zuidelijker gelegen Coron.

Golvennachtmerrie

Als we de baai uit varen nemen de golven meteen fors toe. De golven lijken niet alleen hoger omdat we nu in een veel kleiner bootje zitten, ze worden ook steeds hoger omdat we momenteel in het springtij zitten: Een extra hoge tij die ontstaat als het volle maan is.

Ondanks we nu toch wel zo'n beetje aan al die hoge golven zijn gewend en weten dat de Ally heel veel kan hebben, begint het gedonder pas echt als we voorbij Dinaran Island zijn. De golven worden nog hoger en komen links van opzij waardoor het moeilijk is om de kano goed op koers houden. Telkens weer, worden we door zo'n enorme golf omhoog gestuwd, waarna we op de top een angstig overzicht over de volgende golfsituatie hebben. Vervolgens verdwijnen we weer in een diep dal waarin we door miljoenen liters water ineen zijn gesloten. We hebben het gevoel alsof we het notendopje in een golfslagbad zijn. Het spatdek is nu echt onmisbaar want er slaat veel water over ons heen, binnen de kortste keren zijn we doorweekt. Pas nu komt het er echt op aan dat we goed op elkaar kunnen vertrouwen, dat we in een hoog tempo de juiste peddelslagen geven, dat we tegelijkertijd tegengewicht geven en hierdoor niet uit balans raken en omslaan ... kortom, dat er gewoon keihard gewerkt moet worden om ons en de Ally hier heelhuids uit te krijgen. Ik moet er niet aan denken dat we juist hier om zullen slaan. Aan de kust is geen zandstrandje of aanlegmogelijkheid te bekennen, alleen hoge kliffen waar de golven met grof geweld op stuk worden geslagen. Nooit zullen wij de kano en onszelf in veiligheid kunnen brengen als het hier, op deze plek, fout zou gaan. Golven op zich zelf zijn niet zo erg en hoge golven hoeven ook geen probleem te vormen, althans ... zolang het glijdende golven zijn. Rollende golven zijn een veel groter gevaar voor zo'n klein bootje. Een rollende golf van één meter kan veel meer schade veroorzaken dan een glijdende golf van vier meter. Gelukkig heb je rollende golven meestal alleen bij de branding. Vier meter hoge glijdende golven lijken wel eng, maar ook nu bewijst het weer dat we er met de nodige inspanning toch goed doorheen komen. Een paar honderd meter verder komen we in een stroom van kruisgolven terecht en dat is nou net waar het probleem weer ontstaat. Door de verschillende stromingen die in de Sulu Zee heersen, ontstaan er ook golven die uit verschillende richtingen komen. We zijn dit ver schijnsel al eerder tegengekomen in de passage tussen Boracay en Carabao Island, maar die waren niets vergeleken met dat golvennest waar we nu in zitten. Deze golven zijn absoluut van waanzinnige omvang, zeker 4 a 4,5 meter hoog waarvan alleen de top omslaat. We kunnen het in de verte al aan zien komen ... "Goede God", denk ik, "Moeten wij daar met onze Ally doorheen, hoe moeten we deze golven in hemelsnaam doorkruisen ?". Het witte schuim van de omslaande golven komt steeds dichterbij, waarna deze direct wordt gevolgd door twee andere golven die er veel te dreigend uitzien. Weer duiken we diep weg tussen de muren van de kolossale waterreuzen. Alles bij elkaar lijkt het een eeuwigheid te duren voordat we weer omhoog worden geduwd en ons noodlot af moeten wachten. Vlak voor ons breken twee golven op elkaar. We varen over het wilde witte nalatende schuim. Waar en hoe de volgende golf gaat komen valt heel moeilijk in te schatten. Pas op het moment dat de golf samenkomt kan je zien waar de golf om zal slaan. Verder is het adem inhouden en bidden want er valt zonder krachtige motor weinig te omzeilen.

Steven stoot me aan ... "Moet je dat zien ... ach ... nee !! ... Er rollen twee gigantische golven op elkaar in. Hoe dichterbij we zijn des te groter ze lijken. Precies op het moment dat de twee golven samenkomen en omslaan zijn wij op dat ene plekje waar we nou net niet horen te zijn. We zien het aankomen ... "Dit gaat fout !", zegt Steven ... "ja, dit gaat fout !" ... shit .... shit ..... oooooohhhhhh ssshhiit .........ssssshhhhiiiiiiitttttbbbBBRROOEEMMMM!!!! Er is geen ontkomen meer aan, de golf slaat precies op de kano. Even lijkt het alsof we om dreigen te slaan maar een wonder houdt ons overeind. Het lukt ons om in balans te blijven. "Pffffoe !", we slaan een kreet van opluchting. Het is net alsof dit het klapstuk van het hele schouwspel was want vanaf dit moment wordt alles een stuk rustiger. Althans ... 'wat' rustiger want ik voel me nog steeds vaak onaangenaam als we weer in zo'n huizenhoge golf verdwijnen. De kruisgolven zijn we gelukkig voorbij en varen nu de Coron-passage in: De passage tussen Busuanga en Coron Island. We hebben de golven nu in de rug waardoor we vanzelf steeds verder de passage in deinen en alleen nog maar bij hoeven te sturen. Terwijl de adrenalinekick nog steeds door ons lichaam stroomt, kunnen onze armen eindelijk weer een beetje tot rust komen. De golven worden nu steeds lager en het water rustiger, totdat we ons uiteindelijk op spiegelglad water bevinden en langs de paalwoningen de haven van Coron binnenvaren. Bij aankomst trakteren we onszelf op een heerlijk vismaal en een fles Tanduay rum, waar we een toost brengen op de arme vissers die op deze wateren hun rijst moeten verdienen.

Verborgen paradijs

Zonsondergang in Coron op Palawan.
We blijven een aantal dagen in Coron om tot rust te komen en de kano te repareren. Tijdens de golvennachtmerrie is het uiterste van de kano vereist en zijn er een aantal plastic verbinding stukjes gescheurd. We hebben geen reserve bij ons maar met een beetje vindingrijkheid en een stevige vislijn weten we een stevige noodoplossing aan te brengen. We trekken veel aandacht bij de vissersmannen en informeren meteen naar de stromingen, het tij, eilandjes en verborgen plekjes in het gebied. We krijgen de tip over een aantal vulkanische meren die op Coron Island verborgen liggen. Lake Cayangan is hier de mooiste van. Ze waarschuwen dat het echter moeilijk te vinden is en we krijgen een uitgetekende routebeschrijving mee, hoe we er kunnen komen. We besluiten er morgen eens een kijkje te gaan nemen.

Coron Island kent veel verborgen lagoons waar het water glashelder is en je tot diep het mooi gekleurde koraal en de vissen kunt zien. Als we bij de juiste lagoon terechtkomen en de beschreven weg volgen, meren we de kano bij een groep rotsen en volgen het pad over de bergkam. Na een half uurtje lopen komen we uit in een waar paradijs. Het meer is turkoois van kleur en tussen de hoge scherpe kalkstenen rotsen groeien bomen en struiken met, voor mij onbekende, bloemen. Doordat Lake Cayangan een vulkanisch meer is dat in de loop der jaren door het regenwater is ontstaan, is het water zoet en een stuk warmer dan in vergelijking met de zee. Omdat we hiervandaan maar een klein deel van het meer kunnen zien en het pad hier ophoudt, besluiten we de kano op te halen en over te dragen. Geen makkelijk karwei, daar het pad heel smal en onregelmatig is en we regelmatig met de Ally in de dichte begroeiing blijven steken. Er is hier geen strandje waar we de kano gemakkelijk ter water kunnen laten. We moeten hierdoor met de kano over een omgevallen boomstam balanceren, voordat we deze ter water kunnen laten. Voorbij de eerste bocht blijkt het meer veel groter dan verwacht en zijn er verschillende aftakkingen die naar andere kleinere meertjes leiden. Direct vanuit het water rijzen de scherpen kalkrotsen tot hoog boven ons uit. Omdat we helemaal ingesloten zitten en er geen zuchtje wind staat, is het water spiegelglad. Het water zo helder, dat als ik over de rand van de boot hang, ik wel zo'n dertig meter naar beneden kan kijken. We doen onze snorkels en maskers op en springen in het water. De boot kunnen we hier gewoon laten drijven, deze kan toch nergens heen. Zo stijl en scherp als de rotsen het water uitrijzen, zo stijl vervolgen ze ook hun weg onder water. Er zwemmen hier gigantische vissen. De vissers mannen kunnen hier namelijk niet met hun outriggerbootjes(1) komen, waardoor de natuur hier niet uit zijn evenwichtige verband is getrokken. Dit is zonder uitzondering een van de mooiste plekjes waar ik ooit geweest ben. We zijn hier op een plaats waar geen ander bootje kan komen en geen pad de geheimen en de schoonheid van dit verborgen meer blootgeeft. Een absoluut paradijsje waarvan ik hoop dat het voorlopig zo onontdekt blijft.

Zeepaardjes en melkwater

Aan de oppervlakte is het water zoet en 27°C. Op 10 meter diepte stroomt er door ondergrondse gangen zout water binnen. Door de vermenging van zout en zout kleurt het water wit. Hoe dieper je duikt hoe warmer het water wordt. Op de bodem is het water 37°C. Buiten zeepaardjes leven hier geen vissen.
Even voorbij Lake Cayangan ligt een andere lagoon waar we op ontdekkingsjacht gaan. Volgens onze zeekaart moet ook hier ergens een meer verborgen liggen. Er lijkt echter niet veel te zijn, totdat we een soort van natuurlijk poortje tussen de kalkrotsen zien, wat onze nieuwsgierigheid opwekt. We meren de kano bij een uitstekende rots en klimmen over de rotsen. Deze zijn vlijmscherp en waarschijnlijk komt dat door een vroegere vulkanische uitbarsting. Niet veel later komen we bij het meer uit. Vanaf een hoge rots hebben we een mooi uitzicht over het meer. Ook hier is het water vrij helder maar lijkt het na een meter of tien troebel te worden. Vanaf de rots springen we zo'n zes meter lager het meer in. Het water is ontzettend warm, nog veel warmer dan in Lake Cayangan. Onze nieuwsgierigheid wordt versterkt door de troebele laag en de naam die dit meer draagt: Baracuda Lake. Misschien doet dit meer zijn naam wel eer aan. Omdat het al laat begint te worden, besluiten we morgen terug te komen. Bij een duikschool huren we een duikuitrusting en peddelen terug naar Baracuda Lake. Met duikuitrusting en al, klimmen we over de scherpe rotsen. Dit moet met de grootste voorzichtigheid gebeuren zodat we de uitrusting niet beschadigen. In het water meten we een temperatuur van 28 graden. Naarmate we dieper gaan neemt de temperatuur geleidelijk toe. Als we op veertien meter diepte zijn, komen we in de troebele laag terecht. Het is een soort melkachtige substantie die ontstaat op de scheidingslijn van het zoete regenwater dat op de bovenlaag drijft en het, zwaardere, zoute water dat d.m.v. een onderstroom door een grot vanuit zee binnenkomt. Twee meter dieper bevinden we ons in de zoute onderlaag en wordt het water weer helder. Het water wordt steeds warmer, waardoor ik een beetje benauwd gevoel krijg, alsof we in een sauna zitten. Op 32 meter diepte bereiken we de bodem en meten we een temperatuur van 41 graden. De bodem bestaat uit een dikke modderlaag dat is ontstaan door het vulkanische verschijnsel. Als ik mijn arm erin steek voelt het glibberig en warm aan. Er is heel weinig leven onder water te bekennen. Slechts een handvol lelijke vissen proberen iets voedzaams uit een paar zielige bosjes zeewier te knabbelen. De grotachtige rotsen zijn bedekt met een dikke bruine laag van modder en zwavel waar weinig vrolijks uit valt te halen en over barracuda's, daar hoeven we al helemaal niet meer op te hopen. Toch is deze duik absoluut de moeite waard, vooral als we vlakbij de rotsen een bijna doorzichtig organisme aanschouwen. Als we dichterbij komen, blijkt dat het een ... een zeepaardje, het is een zeepaardje ! Als we weer richting de oppervlakte zwemmen neemt de temperatuur van het water af en lijkt 28 graden voor enkele seconde ineens ijskoud aan te voelen. Als we de melkachtige laag doorkruisen is het alsof we als een vliegtuig boven het wolkendek uitkomen. Ineens is de blauwe lucht en de zon weer zichtbaar.

Typhoon op komst

Naar welk eiland zullen we eens gaan pedellen, Steven?
Nadat we bij de vissers nauwkeurig over de stromingen en eilandjes van de Calamian Group hebben geïnformeerd en de route en alle coördinaten hebben uitgestippeld, slaan we voor twee weken voedsel en water in. We plannen om vanuit Coron naar de kleine onbekende eilandjes in de Gutob Baai te varen. Deze eilandjes komen uit in de Zuid Chinese Zee en zijn de meest westelijke gelegen eilanden van de Filippijnen. Het zijn een twaalftal eilanden waar de meeste onbewoond van zijn of waar enkel wat Tagbanua's wonen: Semi-nomaden met negrito bloed (soort van dwergnegers). De eerste dag varen we tot Apo Island. Het hele gebied tussen Busuanga Island en Apo Island bestaat uit mangrove wat tijdens eb, door de lage waterstand, ontoegankelijk is en we tot de volgende morgen moeten wachten. Omdat het mangrove bos een doolhof van kleine slootjes is, vinden we de juiste doorgang pas als er een klein vissersbootje uit komt varen. Halverwege komen we een ander bootje tegen die te diep steekt en in de modder vast is komen te liggen. Ook hij moet wachten tot het water weer stijgt.

Via de duikschool in Coron zijn we achter de coördinaten van een oud Japans oorlogswrak gekomen dat net onder de zeespiegel verborgen ligt. Volgens de kaart moet dat vlakbij Lusong Island liggen. Met onze G.P.S. (Global Position System): Navigatie systeem via de satelliet, gaan we op zoek naar de exacte plaats. Als de G.P.S. aangeeft dat we er vlak boven moeten zijn springen we met onze snorkels in het water en gaan op zoek naar het wrak. De G.P.S. blijkt vrij nauwkeurig want het wrak ligt er maar enkele meters vandaan. Het schip is niet zo heel erg groot en de reden dat hij net onder de waterspiegel ligt is omdat hij vlakbij land is gezonken. De boegpunt steekt naar boven en is heel goed te zien, maar de bodem loopt hier schuin af waardoor de kont van het schip een stuk dieper ligt en alleen met een duikuitrusting is te bereiken. Omdat het wrak er al vanaf de tweede wereldoorlog ligt, zijn er in de loop van de jaren veel koralen op het metaal gegroeid wat veel vis aantrekt. De felle zon zorgt ervoor dat het koraal prachtig opkleurt en ook de grote variëteit van vis steekt prachtig af tegen de sombere kleuren van het verroeste metaal.

Als we langs Manglet Island varen, worden we vanaf de kant door een blanke gewuifd. Als we aan wal gaan blijkt de man een Amerikaanse zeebioloog te zijn die hier een onderzoekscentrum op heeft gericht. Hij neemt uitgebreid de tijd om ons van alles over zijn onderzoeken naar het klonen van schelpdieren uit te leggen en leert ons welke schelpen in dit gebied eetbaar zijn. Pas als we Calumbuyan Island voorbij zijn, komen we in de Gutob Baai. De zee is hier vrij rustig en door de beschutting van de vele eilandjes hoeven we niet bang voor stromingen te zijn die ons naar open zee af zullen laten drijven. De eilandjes liggen elk niet meer dan een aantal kilometers van elkaar vandaan en zien er allemaal even aanlokkelijk uit met hun parelwitte stranden... althans, dat lijkt het. De meeste stranden mogen er van ver af dan wel mooi uitzien maar van dichtbij blijken het meestal koraalstrandjes te zijn. Doordat de vissers hier in het verleden dynamiet gebruikte om te vissen, is bijna al het koraal verwoest en spoelt dit aan op de stranden. Wat eens dus paradijselijke oorden waren, zijn nu eilandjes met stranden waar je met blote voeten niet meer kunt lopen omdat het bezaaid ligt met scherpe stukken dood koraal. Maltatayoc Island is nog een van die onbewoonde eilandjes dat over een mooi zandstrand beschikt. Dit eiland is niet echt geschikt om te bewonen omdat boten hier niet aan kunnen meren. De gehele kust bestaat uit tientallen meters koraal dat net een paar centimeter onder het wateroppervlakte staat. Omdat onze Ally maar acht centimeter diep steekt, is dit net voldoende om zonder scheuren aan land te komen. Toch moeten hier ooit mensen gewoond hebben omdat we midden in de nacht door ratten opgewekt worden die het op onze voedselvoorraad hebben voorzien. Na de tiende dag slaat het weer opeens helemaal om. Het begint hard te waaien en de lucht kleurt zwart/geel: Het teken dat een typhoon op komst is. Als we niet voor een aantal dagen op zo'n klein eilandje gevangen willen zitten, moeten we de peddels flink in het water steken om zo dicht mogelijk bij Coron te komen. Onderweg begint het steeds harder te waaien en ontstaat er een hogere golfslag. We hebben het geluk dat de wind en de golven van achteren staat en we snel vorderen. Pas tegen de avond bereiken we Coron weer. Niets te vroeg want het begint nu pas echt te spoken en is het tijd om de ramen en deuren voor een aantal dagen te sluiten.

Verkenningstocht op het eiland. Het kan hier hard waaien, kijk maar naar de palmbomen.
Het duurt een aantal dagen voordat de typhoon over is gewaaid en we Coron weer kunnen verlaten. Met een grootte outriggerboot verlaten we de Calamian Group en gaan naar El Nido, op het hoofdeiland van Palawan. Deze hele westelijke kuststreek staat bekend om zijn mooie snorkelwater en dat is dan ook wat we het meeste van de tijd doen als we niet verder, richting het zuiden, aan het peddelen zijn. We slapen vaak op kleine strandjes en leven van de vis die we met onze onderwaterharpoen vangen en de schelpen die we verzamelen.

Na acht dagen komen we aan in Sabang waar de kano uit elkaar wordt gehaald en we met een jeepney(2) naar Puerto Princesa worden gebracht om de boot naar Manilla te halen. We moeten nu wel terug naar de hoofdstad omdat onze vlucht naar Australië over een paar dagen vertrekt. De Ally blijft nu, wat betreft de Filippijnen, in de kanozak en zal daar pas weer uitkomen voor een tocht over de zuidelijke wereldstomingen in Australië.

Tekst en foto's: Tristan R. Raggers
Gepubliceerd in Outdoor Magazine
november 1998
Gesponsord door:
Tiekano, Nomad, Kajak centrum Arend Bloem, Teva en Cheasapeake Trading (Tilly Hats).


(1) Banka/Outrigger: Boot met aan elke kant een bamboe zijspan om de boot in evenwicht te houden, zodat deze niet om kan slaan.

(2) Jeepney: Kleine bus die helemaal met glimmend metaalwerk, felle kleurtjes en lampjes is versiert.

(3) Tricycle: Driewielig motor-voertuig die als taxi fungeren.







HomeDagaanbiedingenAutohuurHotelsKortingsactiesVakantiehuizenVakantieparkenVliegtickets ReisverhalenLandeninformatieHelp