TravelSource.nl Logo  
 Home Page  Reisverhalen  Deals  Hotelreserveringen  Landeninfo  Reisboeken  Tips  Help
 Afrika Auteur : Hans van Kasteren
 AziŽ
 AustraliŽ E-mail adres : hansvankasteren@home.nl
 Europa
 Noord Amerika Homepage adres : http://www.travelsource.nl/story/europe/kasteren/hiking.shtml
 Zuid Amerika
 Wereldreizen Reisverhalen : Trektocht Gran Paradiso 1999

Reisverhalen Afrika Reisverhalen Zuid Amerika Reisverhalen Noord Amerika Reisverhalen Europa Reisverhalen Azië Reisverhalen Australië
  TREKTOCHT GRAN PARADISO 1999 reisverslag
Gran Paradiso Italië Inleiding

In augustus 1999 verhuizen Franka en Chris Jansen van Noorwegen naar Nederland. Dat betekent dat de jaarlijkse trektocht een onderneming gaat worden van de twee senioren Thieu en Hans. Zij betreuren de afwezigheid van hun maat en weten dat ze zijn gezelligheid en enthousiasme zullen missen. Niettemin gaan zij met geestdrift de fase van voorbereiden in en komen gaandeweg tot het besluit dat het doel van de laatste expeditie van deze eeuw in ItaliŽ zal liggen: het nationale park Gran Paradiso! Gaandeweg de voorbereidingen worden ze steeds enthousiaster - het gebied is op z'n zachtst gezegd uitdagend en de hutten genieten een reputatie die hen bijzonder nieuwsgierig maakt.

HEENREIS EN AANKOMST

Uitzicht op het dorp,  Gran Paradiso Italië Zoals wel vaker vindt de huttentocht pas laat in augustus plaats. Eerder hebben Thieu en zijn gezin hun vakantie doorgebracht in Corsica en bezocht Hans met vrouw en kinderen Turkije. Vrijdagochtend 20 augustus rond half zeven meldt Hans zich aan de Oosteinderweg in Rosmalen. We hebben een kleine elfhonderd kilometer voor de boeg, waarvan de laatste honderd kilometer nou niet bepaald over snelwegen zullen gaan. De reis verloopt voorspoedig, hoewel in Zwitserland de lucht betrekt en de temperatuur daalt. Als we aan de oostkant van de Mont Blanc de tunnel onder de Grote St. Bernhard naderen is het koud (15 graden), nat en mistig. Niet bepaald het weer waar je aan denkt als je op het punt staat ItaliŽ binnen te rijden! Maar we spreken elkaar moed in: het gebeurt wel vaker dat de zuidzijde van de Alpen een heel ander weerbeeld geeft dan de noordkant. En tot onze vreugde geschiedt het wonder inderdaad: bij het verlaten van de tunnel aan de Italiaanse kant schijnt de zon en is het ondanks de hoogte dik twintig graden! Dan volgt een zoektocht naar een Bancomat, we denken dat we contant geld nodig hebben. Het is ons niet duidelijk of alle hutten cheques accepteren, laat staan dat je er kunt pinnen. Helaas zijn de banken dicht, we moeten heel wat kilometers omrijden om er eindelijk eentje te vinden die open is. Met nogal wat vertraging rijden we dus vanuit de brede Val d'Aoste het smalle weggetje in dat naar Valsavarenche voert. Aan het begin van het weggetje staat een waarschuwingsbord. We menen te lezen dat de doorgang een tiental kilometers verderop versperd is! Ons onderkomen voor de eerste nacht ligt in Eaux Rousses en dat is alleen maar via deze weg te bereiken. We nemen dus het risico en rijden verder. De weg stijgt snel en al spoedig rijden er graafmachines en bulldozers voor ons. Even later blijkt wat er aan de hand is: Het heeft vannacht en vanochtend enorm geplensd en het vele water heeft voor een aardverschuiving gezorgd. We moeten wachten tot de bulldozers en graafmachines hun werk hebben gedaan. Gelukkig vertelt een opziener ons dat we na een half uurtje door kunnen rijden. Hij blijkt gelijk te hebben. Als we door de modder rijden zien we hoe hele stukken van de wal naast de weg zijn weggevaagd. Uiteindelijk bereiken we het schitterende dorpje Eaux Rousses, wat jaren geleden door de oorspronkelijke bewoners is verlaten. Kennelijk heeft een slimme projectontwikkelaar het geheel opgekocht en is aan het renoveren geslagen. Het resultaat is prachtig. Hoog in het dorpje ligt de Hostellerie du Paradis, waar we geboekt hebben. Du Paradis is een hotel en geniet met name als restaurant een prima reputatie, zo vernemen wij later. Vanwege de strategische ligging in het gebergte krijgt men ook veel bezoek van bergvolk: daartoe heeft men in een bijgebouwtje een soort dortoir ingericht. Wij delen de beperkte ruimte met twee Italiaanse stelletjes uit Como, die morgen de doorsteek maken naar Citta di Chivasso, een berghut die wij pas later en via een andere route zullen bereiken. In de avonduren is de sfeer ongedwongen: een hele club Italianen groepeert zich rondom een gitaarspelende charmeur en een Japanse accordeoniste. Wij zingen uit volle borst mee: ons Italiaans is zo slecht nog niet! Tegen kwart over elf gaan we naar bed.

DAG ……N: TRES, ZERO, ZERO, SETTE!
Zaterdag 21 augustus: Eaux Rousses - Pellaud

De groep,  Gran Paradiso Italië Als we vroeg in de ochtend door het kleine raampje van ons dortoir schuin omhoogkijken zien we een stralend blauwe en wolkeloze hemel. Onze Italiaanse slaapzaalgenoten zijn ons voor en nemen de piepkleine wasruimte in beslag. Zij zijn erg vriendelijk, met name de twee dames (onmiskenbaar zussen) willen weten wat onze plannen zijn. Na een schraal ontbijt vertrekken de vier strakbepakt en met een vriendelijke groet een kwartiertje voordat wij dat doen. Thieu en ik betalen onze rekening (een meevaller: hebben ze wel alles gerekend?) en sjorren voor de eerste keer onze rugzakken om. Buiten blikken we nog eens omhoog, halen diep adem en kijken elkaar in de ogen. "Daar gaat ie, ouwe!" zeggen we, zonder woorden. Het pad begint letterlijk op het terras. Eaux Rousses ligt op 1666 meter en het hoogste punt van vandaag zal de drieduizend meter overstijgen. Bovendien is de tocht lang, we verwachten een uurtje of acht onderweg te zijn. Het is half negen als we de eerste steile meters nemen en binnen het uur passeren we onze vier slaapkamergenoten van vannacht in vlotte stijl. Zij staan zwaar hijgend naast het pad, maar het zijn dan ook al dikke dertigers. We stoppen even om ze nogmaals 'bonne route!' toe te wensen. Zodadelijk moeten zij een andere richting in, wij zullen ze niet meer zien. Even verderop staat een jonge, sportieve Italiaan. Hij is ook op weg naar de drieduizender van vandaag, de Col di Entrelor. Gedurende zo'n honderd meter blijven we in zijn spoor, maar dan blijkt zijn tempo ons toch veel te hoog. Veel later die dag, in de laatste hellingen naar drieduizend meter, komen we hem weer tegen, maar dan is hij al op de weg terug.

Boven de boomgrens beginnen uitgestrekte, glooiende alpenweiden. Het uitzicht is fantastisch. Vlak voor onze ogen ontvouwt zich het panorama van de hoogste Gran Paradiso-toppen: de maestro zelf (4061 meter) en de mysterieuze Grivola (bijna vierduizend). Ook zien we een deel van onze tocht verderop in de week: met name Col Lauson links van de Grivola is te herkennen.

Vanaf de Alpe Tsoplanaz, waar we even zitten om wat bij te drinken, is dit schouwspel adembenemend. Het terrein is aanvankelijk grassig, licht stijgend. We kijken overal vele kilometers ver weg, maar we zien niemand en horen alleen de wind, het gefluit van bergmarmotten en af en toe wat vallend water. Inmiddels zien we voor ons de Col di Entrelor, 3007 meter hoog! De Col lijkt afwisselend dichtbij, dan weer tegenvallend ver weg. Na het passeren van enkele meertjes, Lago Djouan en Lago Nero, begint de laatste, lastige klim naar de pas. Eerst is er een redelijk breed, zigzaggend pad dat de puinhelling overwint. Vervolgens wordt het pad een paadje en nogal glibberig. De flitsende start van vanochtend zijn we allang vergeten, we denken nu dat we last beginnen te krijgen van de hoogte. Voor acclimatiseren hadden we immers geen tijd! Toch bereiken we om tien over twaalf zwaar hijgend de winderige pashoogte. Er zitten twee jongelui; lange broek, trui en handschoenen. Wij gaan even lekker uit de wind zitten, pakken de verrekijker en zien duidelijk een touwgroep op de verre Gran Paradiso-gletsjer.

Helling Plots horen we allerlei kreten aan de andere kant van de helling. Een goed geconserveerde veertiger klimt naar boven, gaat breeduit op de smalle richel staan, spreidt de armen en roept uit: "tres, zero, zero, sette!" - drie, nul, nul, zeven: 3007 meter! Met tussenpozen van steeds enkele minuten arriveren nu zijn tochtgenoten: vijf mannen en een vrouw. Allen zijn Italianen en reageren zonder uitzondering enthousiast op het inderdaad magnifieke uitzicht. Zij maken een foto van ons. Een half uurtje later hebben we onze lunch verorberd en moed verzameld om aan de afdaling te beginnen. De eerste 50 meter gaan snel en probleemloos, maar dan volgt er een dikke 200 meter van een geheel ander kaliber. Gruis, modder, losse stenen, diepe afgronden.

Regelmatig hebben we handen en voeten nodig om ons evenwicht te bewaren. Met name een smalle richel met angstaanjagend veel lucht aan beide kanten doet ons de adem stokken in de keel, maar we blijven op het spoor. Halverwege het steilste stuk komt een eenzame vijftiger bijna letterlijk 'omhooggekropen'. Hij ziet het niet echt meer zitten, uitputting en licht paniek zijn in zijn ogen te lezen. Hij vraagt in het Frans hoe ver het nog is. We zeggen dat we toch denken dat ie nog een half uurtje, drie kwartier omhoog moet. De man kijkt omhoog, schudt het hoofd en lijkt aanstalten te maken om te keren. Even later gaat hij toch verder. Omhoogkijkend zien we dan dat hij tegen de helling ligt en zich zo omhoogtrekt. We hebben er dan een beetje spijt van dat we hem niet onze hulp hebben aangeboden, maar daarvoor is het nu te laat. Bovendien is het nou ook weer niet zo dat wijzelf ons hier met zoveel zelfvertrouwen voortbewegen.

Na deze benauwde 'sleutelpassage' gaat het allemaal wat makkelijker. Alleen die afstand, op de eerste dag! Vele urenlang dalen we richting volgende vallei: Val di RhÍmes. Als we om kwart over vijf het nietige dorpje Pelaud binnenlopen, zijn we behoorlijk kapot. Pelaud blijkt ook al zo'n gerenoveerd boerendorpje, geschikt gemaakt om een (gering) aantal toeristen te ontvangen. Wij worden op 200 meter afstand van het eigenlijke Pelaud in een soort dependance ondergebracht. Leuk pleintje om de hoek, alles zeer karakteristiek. In de avonduren bellen we met het thuisfront en eten prima. De eigenaar van het geheel versiert elke opmerking die hij maakt met een samenzweerderige kwart-knipoog. We komen er niet achter wat hij daarmee eigenlijk bedoelt.

DAG TWEE: EEN ZONDAGMIDDAG BIJ BENEVOLO

Ook Thieu blijkt, op een halve pil, een goede en redelijk comfortabele nachtrust (groot tweepersoonsbed) te hebben gehad. Dat hadden we na de inspanningen van gisteren wel nodig ook. We nemen afscheid van onze vriendelijke gastheer en stellen vast dat de rekening flink meevalt. Dat blijkt verderop in de week wel vaker voor te komen. Op pad nu. De zon schijnt, hoewel de verharde weg die naar de afsluiting van het Val di RhÍmes voert vooralsnog in de schaduw ligt. Iets voorbij het huizengroepje Thumel verlaten we het asfalt en gaan de berg weer op. Thumel ligt op een hoogte van 1879 meter, onze bestemming rifugio Benevolo op bijna 2300 meter. Het is schitterend weer en zondagochtend: geen wonder dat het druk is op het pad. Vele Italianen hebben blijkbaar een zonnige zondagmiddag bij Benevolo op het menu staan, want het is druk. Onderweg zien we vele tientallen meters onder ons een herder, traditioneel uitgedost met cape, hoed, lange stok, fluitje en hond. Zeker twintig minuten lang zitten we op een rots te bekijken hoe hij, in soepel samenspel met de hond, zijn kudde schapen bij elkaar houdt en verder voert. Rifugio Benevolo is al van verre zichtbaar.

Het lijkt verder dan het uiteindelijk blijkt te zijn, want nog voor half twaalf lopen we binnen. Deze korte tocht was nodig om de 'cirkel rond te maken'. We moeten immers aanstaande vrijdag terug zijn in Eaux Rousses, daar staat de auto. Benevolo is een prima, buitengewoon sfeervolle hut. Er is zelfs een weliswaar wankele, maar toch warme douche, die tegen bijbetaling te gebruiken is. Op een rotsig grasveldje vlak voor de hut liggen tientallen mensen te zonnen, het is er erg gezellig. We kunnen niet aan de verleiding weerstaan een pilsje te drinken, met de verrekijker in de aanslag. Het landschap om ons heen is wild en mooi. Even overwegen we toch nog een paar uur op pad te gaan om het, naar men zegt, fraaigelegen Lago di Golettaz te bezoeken. We doen dat uiteindelijk niet en hebben daar later in de week spijt van. Wel zoeken we het beginpunt van de route van morgen en vinden het pad na enig speurwerk. Rond vijf uur verdwijnt de zon achter de bergtoppen om ons heen en het wordt snel fris. De dagjesmensen verdwijnen en een stuk of tien mensen blijven overnachten. Onder hen een tweetal Schotten met wie we later een aangenaam gesprek voeren. Het eten in Benevolo is echt heerlijk. Met name de aubergines in een voortreffelijke saus stelen de show. Nogmaals bestuderen we de kaarten en stellen vast dat het morgen een stevige tocht gaat worden. We nemen nog een pilsje en een wijntje. Rond half tien gaat iedereen slapen: wij ook.

DAG DRIE: ZWARTE STIEREN EN EEN RODE BERG

Als we vroeg in de nog kille ochtend de deur van Rifugio Benevolo achter ons dichtslaan trek ik de kraag van mijn fleece nog even lekker op. Er hangt een vale nevel om de hut en het Val di RhÍmes in de diepte wordt zelfs door een dikke, witwollen deken toegedekt. Tot ons genoegen heeft in de verre verte de Zwitserse Grand Combin besloten zich in volle glorie boven dit alles te verheffen.

Gisterenavond hebben we in de knusse beslotenheid van Benevolo's gelagkamer in gezelschap van de twee Schotten de kaart bestudeerd. Zij hebben de route in omgekeerde richting al eerder in de week gedaan. We verwachten geen onoverkomelijke moeilijkheden, hoewel de meest spraakzame van onze twee companen van gisterenavond toch zei: "It's a good track, but beware of the Red Col". We namen niet de moeite de kaart verder te checken. Later sprak hij ook nog even over 'black bulls', maar zijn accent was zo zwaar dat we het er maar op hielden dat ie het had over z'n favoriete merk whiskey.

Top van de Rosset Gran Paradiso Italië Inmiddels is Rifugio Benevolo achter en onder ons verdwenen. Het pad versmalt en stijgt sterk. Dan plots valt het spoor scherp omlaag: we moeten een brede, wildstromende beek over. De kaart leert ons dat dit de Torre Gran Vaudulaz is. Springend van steen naar steen bereiken we de overkant. De nevel is inmiddels in het Val della Gran Vaudulaz neergedaald en we zien niet veel meer. Even zijn we het spoor bijster, maar Thieu is alert en spot een gele verfstreep van de Alte Vie nummer 4 zo'n twintig meter boven ons. Hij kiest vastberaden de juiste richting maar deinst dan terug, en niet voor niets. Een enorme, zwarte gestalte verspert het pad. Dreigend priemen twee messcherpe hoorns aan weerskanten van een brede kop de mistige lucht in. We houden de adem in, maar al snel dringt tot ons het besef door dat 'Black Bull' dus niet bepaald een merk Schotse whiskey is. De kolossale stier die ons de weg verspert snuift luidruchtig en stapt dan opzij. We hebben geen keuze en lopen dapper door. Als we de zwarte stier passeren besef ik ineens dat ik een vuurrood T-shirt draag. Daarnet heb ik immers mijn grijze fleece-trui uitgetrokken. Natuurlijk weet ik ook wel dat die verhalen over stieren en het effect dat rode lappen op hun humeur hebben voornamlijk in de Walt Disney-studio's zijn bedacht, maar erg comfy voel ik me niet. Ik maan voorganger Thieu daarom fijntjes tot grotere spoed. Het tempo gaat inderdaad merkbaar omhoog, net zoals het pad. Het wordt drukker op het pad en op de stroken grassige grond daarnaast. Niet dat er mensen lopen, maar het barst van het vee. En dat zijn geen schapen of koeien. Het zijn reusachtige black bulls en ze lijken me allemaal even strijdlustig. Haastig verberg ik mijn rode coca-cola T-shirt weer onder het grijze fleece. Even daarna lopen we in rotsachtig terrein en zijn er geen stieren meer te zien. Pas als we een goed half uur later een paar honderd meter boven de beek lopen en de mist inmiddels is opgetrokken, zie ik de zwarte monsters weer. Een stuk of twintig stieren grazen vredig langs de stroom in de diepte. Aardige beestjes eigenlijk.

Inmiddels wordt het terrein onvriendelijk. De rotsblokken van daarnet hebben plaats gemaakt voor los gesteente. Het pad wordt een paadje en slingert in steeds kleinere lussen omhoog. Het zwarte gruis is vochtig en glad. De diepte onder ons wordt steeds dieper en de hellingsgraad dreigend. Plots wordt het spoor (zeker twintig centimeter breed) versperd door een opeenstapeling van grof gesteente, dat elk ogenblik naar beneden lijkt te kunnen vallen. We moeten er over heen, er onder door of er boven langs. Dat zijn drie mogelijkheden en ze bevallen ons alle drie niet. Het gruis is rood van kleur, maar daarom niet minder glad en los. Ineens denk ik aan de 'Red Col' waar onze Schotse vrienden van gisteren het over hadden. Voorzichtig trek ik de kaart uit mijn gordel en zie dat we ons al moeten bevinden op de hellingen van Col Rosset, 3023 meter. "Beware of the Red Col", zei onze Schotse tafelgenoot gisteren. Nu snap ik wat hij bedoelde. Voorzichtig klauteren we van steen naar steen boven langs de 'wegversperring' en schuifelen over het nu rode spoor verder. Vele honderden meters onder ons staan twee in het blauw geklede poppetjes te zwaaien. Naar ons? We zwaaien voorzichtig en aarzelend terug, mogelijk is het dat Italiaanse stel dat vanochtend niet al te lang na ons vanuit Benevolo vertrok. Later blijkt deze veronderstelling juist: de Italianen vertellen in de rifugio Citta di Chivasso dat ze onze angstige beklimming van de Col Rosset per verrekijker gevolgd hebben. Boven op de Col (3023 m.) staan een stuk of zes zwaarbewapende rugzakken onbeheerd op de smalle richel tussen Val Vaudulaz en de Piani del Rosset. De eigenaars klauteren omhoog naar de Punta di Leynir, zo'n 200 hoogtemeters verder. Wij hebben in die tour helemaal geen zin meer: we zijn blij dat we boven zijn en kijken benauwd naar beneden. Is het stijl, glad misschien? Dat blijkt tot onze opluchting mee te vallen.

Twee uur later staan we handen te schudden met beheerder Alessandro van Rifugio Citta di Chivasso. Hij heeft ons zien aankomen en snel op zijn boekingslijst gekeken. I signori van Kasteren, dat kon niet missen. Hij is buitengewoon vriendelijk en verontschuldigt zich voor het gebrek aan comfort in de hut. Er is geen vers drinkwater, geen douche. Maar wel een gletsjermeertje in de buurt, waar we onze kleren wassen. Het water is ijskoud.

We overwegen een duik te nemen maar doen het toch maar niet. De hut is warm en gezellig, het eten is voortreffelijk. Wij zijn in onze nopjes: ernstig riekend naar eerlijk bergzweet eten we een prima pasta en ook nog een uitstekende anti-pasta. We nuttigen een frisse pils en een heerlijk glas wijn. Aan een aparte tafel zit een gezelschap van een stuk of acht Duitsers. Zij toeren ook van hut naar hut, maar doen dat onder leiding van een gids. Daarnet hebben ze een onderlinge onenigheid op luide toon besproken. Als de vrede is gesloten laat men snel nog een rondje pils aanrukken. Het clubje bemoeit zich niet met ons of met de overige gasten en meet zich een enigszins arrogante houding aan. Hun gids geneert zich merkbaar voor zijn luidruchtige 'klanten', die inmiddels een proostlied aanheffen. Ik slaag er in te ontsnappen, toevallig moet ik net even plassen. Op de tonen van 'Ein Prosit, ein Prosit....!' begeef ik me naar het toilet. Op de terugweg kom ik ťťn van onze Duitse vrienden tegen. Ik vraag hem waarheen hun tocht van morgen voert. Hij glimlacht, wijst naar buiten en zegt: "Die Richtung dort. Ich weiss es nicht genau. Wir haben ein FŁhrer, wissen Sie!" Het ligt me op de lippen om te zeggen: "Schon wieder?", maar kan me net beheersen. Ook in deze Citta di Chivasso rifugio is het eten meer dan goed. We erkennen het volmondig: tot dusver doen de Italiaanse berghutten hun reputatie eer aan. De gastvrije gardien Alessandro is somber over het weer van morgen. De barometer staat laag en het is zwaarbewolkt. We voeren nog een moeizaam gesprek met een oude Oostenrijkse berggeit die in zijn eentje het hele gebied doorkruist en beklimmen dan al vroeg de ladder naar ons slaapverblijf op zolder. We delen deze ruimte met een jong Italiaans gezinnetje.

vervolg reisverslag Italië





 
 Home Page  Reisverhalen  Deals  Hotelreserveringen  Landeninfo  Reisboeken  Tips  Help